Rechter kruisbeuk

RECHTER KRUISBEUK

Links herinnert het neogotische beeld van Sint-Elooi (V.Dupont, 1900) aan de kerkstichting (S.Eligius, 590-660, fundator ecclesiae)
“De St.-Maartenslegende” (1630, 187 x 365 cm) is een imposant werk van de Kortrijkse schilder Jan De Coninck. Het werd geschilderd in een voortreffelijk realisme en bestaat uit een hoofdtafereel en vier medaillons. Het hoofdtafereel verbeeldt Martinus als ridder, gezeten op een zwart paard. Een kreupele bedelaar vlak voor hem, smeekt met uitgestoken hoed om een aalmoes. Met een elegante beweging, die meer een gebaar dan een daad is, laat Martinus met de rechterhand een geldstuk in het hoofddeksel vallen; met de linker houdt hij de toom vast. Op het tweede plan, onder de omstanders, figureert een gebrekkige op krukken en met ontblote borst, die zojuist de rode mantel gekregen heeft. Rechts zien we een vrouw met een mand kippen op het hoofd en een oude man met een eend in de hand; verder, twee schoolknapen en een blaffend hondje.
Ook in vier medaillons illustreert de schilder zijn kennis van de Vita, zij het vrij geïnterpreteerd.
BLOL
BROR
Bovenaan links: Martinus heeft zijn militaire loopbaan stopgezet en wordt verwelkomd door Hilarius, bisschop van Poitiers.
Onderaan links: Net als het thema van het medaillon boven rechts betreft het hier een mirakel van Martinus. Op weg naar Chartres, te midden een menigte heidenen die hij wil bekeren, schenkt hij een kind het leven terug.
Bovenaan rechts: Achterin wijdt Hilarius Martinus tot duiveluitdrijver, op het voorplan past Martinus deze nieuwe kracht toe en bevrijdt een bezetene van de duivel.
Onderaan rechts: De interpretatie van dit medaillon blijft problematisch. Het zou een ontmoeting kunnen zijn tussen Martinus en de vrouw van keizer Maximus, die aandachtig zijn vrome raadgevingen beluistert. In zijn “Dialogen” schrijft Sulpicius Severus echter dat Martinus door de keizerin aan tafel bediend wordt.
Het geheel werd in een voortreffelijk realisme weergegeven en is een overschildering uit 1632 van een doek van twee jaar eerder, dat een middeleeuwse ‘locale historie’ verhaalde.
Het schilderij wordt genoemd in de inventaris van het stadhuis van 1727-30: Item eene groote langhe schilderye representerende St Martens te peerde met de miraekelen. Dit werk, dat niet meer voorkomt op de inventaris van 1757, moet dus bezorgd zijn aan de St-Maartenskerk tussen 1740 en 1757. Dit schilderij van 1630 herinnert aan een gebeurtenis uit 1351. De heer van Spiere had een bode van Kortrijk beledigd. Lodewijk van Male, graaf van Vlaanderen, veroordeelde de schuldige om elk jaar op St.-Remigiusdag te paard voor het Kortrijkse stadhuis te verschijnen, in een rode wapenrok, blootshoofds en met getrokken zwaard. Hij moest roepen dat hij gekomen was om boete te doen voor de belediging de graaf van Vlaanderen en de stad Kortrijk in 1351 aangedaan. Alaard II van Mortagne, baron of heer van Spiere, echtgenoot.van Anna vander Woestine werd evenwel in 1351 in Kortrijk onthoofd. Het schilderij werd in 1632 overschilderd met het huidige onderwerp, een gebeurtenis uit het leven van St.-Maarten. Op 10 en 12 april 1971, ter gelegenheid van een kleine St.-Maartensexpositie in de kerk, konden we het doek van naderbij onderzoeken. We ontdekten met de lamp sporen van de oorspronkelijke uitbeelding: een vijftal gotische vensterbogen van het stadhuis waarboven telkens het wapenschild van de stad en het jaartal 1351 (2 x duidelijk); ook ontwaarden we een zwaard uit de vuist van de heilige en een gedeelte van de verdoken paardepoot in de rug van de bijgeschilderde bedelaar.

Het glasraam in het midden, “Toewijding van Kortrijk aan O.L.Vrouw”, werd in 1954 geplaatst en betaald door een anonieme schenker. Het draagt de tekst “Porta Coeli, Ave Regina Coelorum, Sta Dei Genitrix intercede pro nobis, Anno MCMLIV” en werd ontworpen door H.Hizette uit Brussel en uitgevoerd door Jozef Desmet (Sulferburgstr28 Brugge). De brandramen die er reeds inzaten werden overgebracht en verdeeld over de vier ramen van de rechterzijbeuk naast het hoogkoor, eveneens op kosten van de schenker.

Rechts hangen van links naar rechts volgende schilderijen:
“Marteldood van de HH. Crispinus en Crispinianus” (284 x 203 cm) is het altaarschilderij dat hoogstwaarschijnlijk door de nering van de schoenmakers besteld werd. Crispinus en Crispinianus waren twee gebroers uit een voornaam Romeins geslacht. Op de vlucht voor de vervolging van Diocletianus vestigden zij zich in Soissons, waar zij in hun levensonderhoud voorzagen met schoenmaken. Om hun kristelijk geloof stierven zij de marteldood op 25 oktober 287. In de grote vuurpot met brandende houtskooltjes hebben zij geen wierook willen gooien ter ere van de gestandbeelde oorlogsgod Mars, met helm, speer en schild, en ook niet van de wijngod Bacchus, met wijnkruik en tyrsus (Bacchusstaf), wiens beeld de prefekt Rictiovarius vasthoudt. De op de schimmel gezeten honderdman draagt standaard met de initialen SPQR en een wapenschild. Reeds is Crispinus onthoofd en nu is het de beurt aan Crispinianus, die op de treden van de heidense tempel knielt. Straks slaat de beul met het zwaard toe. Een viertal nieuwsgierigen op de achtergrond en drie Romeinse soldaten in Spaanse harnassen verbazen zich over de sereniteit waarmee Crispinianus de dood afwacht. Reeds komen hemelse putti aangezweefd met martelaarspalm en lauwerkransen. Volgens VAN DER HEYDE 1923,58 is het werk gesigneerd Roose, maar deze signatuur konden wij niet ontdekken. Jan Baptist Roose schilderde in 1723 ook een “Marteldood van de H. Catharina van Alexandrïë

‘Jezus overhandigt de paradijssleutels aan Petrus” (ca 1680, dagkant doek, 260 x 172 cm). In een renaissanceportaal, blijkbaar van een tempel of basiliek, reikt de verrezen Kristus aan de op de trap knielende Petrus de sleutels van het Koninkrijk Gods aan. Het gebeuren staat niet uitdrukkelijk in het evangelie. Links zien we Andreas en Johannes; de andere apostelen zijn eveneens op het schilderij weergegeven. Rechts, op de achtergrond, nog enkele gestalten. Boven: twee engeltjes met spreukband waarop: TIBI DABO CLAVES REGNI COELORUM. Misschien is het een werk van de Kortrijkse Jan Van Moerkercke , zoon van Pieter, omdat de Kristusfiguur gelijkenis vertoont met de figuur van zijn schilderij “De goede Herder”
‘De wijding van Sint-Maarten tot bisschop’ (284 x 188 cm) , is een degelijke maar al te nadrukkelijk symmetrisch opgebouwde kompositie, die aan Pieter of J.B. Van Moerkercke wordt toegeschreven . De heilige zit met gevouwen handen een paar treden hoog en draagt een rijke koorkap van goudbrokaat; hem wordt door twee wijbisschoppen, eveneens met schitterende koorkappen, de mijter opgezet. Links en rechts, op de voorgrond, wierokende misdienaars en assistenten. De plechtigheid speelt zich af voor de koorafsluiting van een gotische kerk.
Uiterst rechts een neogotische kandelaar met daarboven

Aanbidding van de koningen (Jacob van der Hulst of Claude Vignon? 1607, 102*133.5 cm) is een 17e eeuws middelmatig werk:
de knielende koning is nog het best weergegeven.
De Heilige Vaten (184 x 108 cm) van Jan Baptist van Moerkerke) is de afbeelding van “remonstrantie, dry ciborien en een vierkantige platte doose’. Onderaan staat volgend vers:
Ghebenedijt en gheeert zy het alderheiligste
Sacrament des autaars, twelck op deze plaatse
onteert ende ghestolen is gheweest door drie heiligschenders
op de nacht voor missisdagh anno 1686