Martelarenaltaar

MARTELARENALTAAR
Dit altaar is toegewijd aan alle slachtoffers van geweld, waar ook ter wereld.

Het schilderij ‘Onthoofding van de H.Catharina’ (1582, 165 x 165 cm) is een van de weinig bekende schilderijen die met zekerheid door Karel van Mander werden geschilderd; het is tevens het vroegstbekende werk. Het werd besteld door de linnenwevers van Kortrijk, voor het altaar van hun patrones; van Mander kreeg 25 pond Vlaams. Het schilderij was oorspronkelijk het middenstuk van een triptiek waarvan de zijluiken niet meer bestaan. Het is gesigneerd en gedateerd op het schild in de linker benedenhoek: C. V.MANDERE INVENTOR FECIT/ ANNO DMI 1582
Die heilige is bekend als patrones van de wijsbegeerte en der welsprekendheid. Zij was zó welbespraakt en wijs dat zij 50 heidense wijsgeren die keizer Maximinus Daza (305- 313) op haar had afgestuurd, om haar met strikvragen te doen wankelen in het christelijk geloof, zelf wist te overreden en te bekeren. Waarom zij en niet de H. Severinus, gewezen wever en eigenlijke patroon der wevers door het Kortrijkse gild werd uitverkoren kan een verklaring vinden in het verdere verloop van haar leven. Na de geschiedenis met de wijsgeren was de keizer zo vergramd dat hij haar veroordeelde te sterven door een marteltuig dat samengesteld was uit vier met scheermessen bezette wielen. De tussenkomst van een hemels vuur, dat het tuig heeft doen uiteenspringen, heeft belet dat de heilige geraakt werd. Integendeel beweert de gulden legende, werden 4000 heidenen gedood. Dat wondere wiel heeft de verbeelding aangesproken en de heilige, gebruikelijk voorgesteld met het wagenwiel, werd de patrones zowel van wagenmakers als van de vele beroepen waarbij een wiel wordt aangewend. Voor de Kortrijkse spinners en wevers, die toen nog niet gescheiden werkten, geldt bovendien dat ze te Kortrijk het spinnen en weven aanleerden bij de zusters van het Sint-Catharinaklooster van Sion. Beslist zijn de Kortrijkse wevers zeer trouw gebleven aan hun patrones, want in het begin van de 18de eeuw hebben zij voor dezelfde kerk opnieuw een ‘Marteldood’ van deze heilige besteld, wellicht om de leemte te herstellen daar Van Manders werk een tijd lang uit de kerk verdwenen was. Omstreeks 1770 werd het bij een uitdrager teruggekocht. Op het schilderij is geen spoor van het wondere wagenwiel te zien, omdat, naast andere episodes uit te leven, de voorstelling van het uiteen springende wiel -voorkwam op een der verdwenen zijpanelen van het drieluik. Het vierkante middenpaneel vertoont het ultieme moment voor de door de Keizer bevolen onthoofding, nadat ook de proef met het wiel gefaald had. Omgeven van heremijten, maagden en gehelmde soldaten, waartussen de keizer gezeten is op een ingetoomd wit paard, zien wij als middenmotief, de beul met geheven zwaard en de kalm neergeknielde heilige. Op het voorplan rechts liggen zeer in ’t gezicht, onthoofden, met er bovenop honden. Wij storen ons niet aan de honden. Onze voorouders hielden veel honden. Hun beeld verschijnt vaak op schilderijen, ook daar waar wij thans hun aanwezigheid ongepast vinden. Denken wij slechts aan de zeven Sacramenten van Rogier van der Weyden, waar op elk zijluik enerzijds een hazewind, anderzijds een poedel gewoon in de kerk aanwezig is. De Schilder-Poëet heeft er schuld aan dat een interpretatiemoeilijkheid oprijst. Op het schilderij, ‘stomme Poeterij’ genoemd, leidt hij ons met ‘twee regelen dichts van zijn ghemaeck tot beduydenisse van het werk’ af van de hoofdfiguur naar een zekere Porphirius. In de rechterbenedenhoek staat te lezen dat ‘II c tudders die in ’t gheloove stonde(n) fijn, met porphrio onthooft en gheworpe(n) de honde(n) zijn’. Misschien moet Porphirius, de legeroverste die onder Catharina’s invloed zich bekeerd had en om die reden vóór haar marteldood, onthoofd werd, als een gesynchroniseerd herinneringsbeeld opgezocht worden tussen de reeds onthoofden. Het verwarringstichtend rijmpje biedt tenminste voor de actieve aanwezigheid der honden een alibi. De biograaf beschrijft episch dat ‘een deel doode lichamen door eenighe honden, met hun clauwen opgheplant staan toonende al grijnzende haar slagh en backtanden… al gereed om te vechten wie dat eerst zijn hongerige muyl in ’t vergooten mensenbloed zou waden en met de gave tonghe opslorpen en slicken’. Beslist hebt u nu ook opgemerkt dat tegenover de sierlijke windhond een grijnzende hondenkop opdaagt inspirerend tot. het signalement van slag- en baktanden en de voorspelling van bloedslorpen en slikken. De verdere beschrijving is minder bloederig en wijst op de ‘suyverlijke’ maagd die met blij gelaat, beschenen wordt door een klaarheid, die glans en gloor geeft aan haar albasten witte leden. Al is de beschrijving van de eigenlijke commentator in overeenstemming met de werkelijkheid, toch is het zo, dat naar ons gevoel de dramatische voorstelling niet zo aangrijpend is, als de beschrijving wil doen vermoeden. Té overwogen en nadrukkelijk zijn de dramatischie details bijeen geordonneerd. Op het linkervoorplan: onthoofden met de hoofden ernaast ; in het centrum: een perfect contrast van de klare rust der heilige naast het donkere geweld van de beul. Het schilderij kan afgetast worden en overal toont het een berekende afwisseling van klaar en donker en van netjes elkaar beantwoordende bewegingen en kruisingen. Achter de stevig gesloten driehoek van het linkervoorplan, die begint met een kalm toeschouwer, de deken van het weversgild, en eindigt met behoorlijk in elkaar gekluwde krijgers is er de naar links stijgende lijn van drie klaarten : de hazewind, de heilige en het naar het voorplan toestappend paard van de keizer. Dat paard moet een tegenstelling vormen met het naar de achtergrond gewend paard van de krijger rechts. Het zwaard van de beul geeft weerom netjes een antwoord aan de lans van een soldaat in de verte, en alles is zo geregeld dat het ons voorkomt dat dit onderwerp voor Van Mander meer een thema is geweest om rustig academisch te componeren dan dat het een motief van bewogenheid is geworden. In weerwil van het vele bewegen is er geen bewogenheid. Meer gedragen door de vormen dan door de onderdanig over de vormen gespreide kleuren is het veeleer de decoratief-vormelijke schikking die onze aandacht wekt dan dat wij het oor te luisteren leggen naar een kleurenzang. Zelden, bijvoorbeeld bij het hoofd van een maagd in de verte, wordt blijk gegeven van een koloristisch hallo. Voorbeeld van technische verzorgdheid en ‘gracelijk doen’ is het een typisch werk van een romanistisch schilder uit de late 16de eeuw. De kleurenweelde die parelt uit het haarfijne realisme bij de Vlaamse Primitieven werd geruild voor decoratieve ltaliaanse idealisatie.

Onder het schilderij een 18e eeuws marmeren altaar met opschrift: “Ex audium pauperes dominus et vinctos suos non despexit” (ps.68)
Dit overschilderd, witstenen beeld datert van 1778n tijd van keizerin Maria-Theresia. Doordat Maria’s linkerbeen op een paar stenen rust, kan het kind op haar knie staan. Maria, de Moeder Koningin, draagt een kroon en een scepter, waarvan alleen de aanzet bewaard is, het Jezuskind een wereldbol, waarvan het kruisje verdwenen is. Maria kijkt haar kind teder en wat bezorgd aan.
De Doornikse kunstenaar Nicolas Lecreux realiseerd in die tijd werk in de O.l.-Vrouwekerk en de apostelbeelden in de St.-Maartenskerk. Stijlvergelijking doet sterk vermoeden vat ook deze madonna een Lecreux is. De opdrachtgever Alexius Delporte ebstelde de madonna voor de huiskapel in zijn woning ‘De Drij Ringen’ in de huidige Wijngaardstraat. In 2006 werd het beeld uit de vestibule van het rusthuis O.-L.-Vrouw van Bijstand naar de St.-Maartenskerk overgebracht
naar Sint-Maartensparochie terug naar Sint-Maartenskerk