Ik zit zo vredig
Ik zit zo vredig hier en afgelegen
en aarzel aan de rand van 't nieuwe jaar.
Ik zie jong volk op de verse wegen
en in de kamer, met een glimlach, haar,
het meisje, zich op de muziek bewegen
van een klein lied en van een klein gebaar.
Nú schuiert God de wereld met zijn regen
en lacht de zon de duisternissen klaar.
Al wat er triestig was in het verleden,
het loutert tot een glimlach en wordt klein.
Een lichtte dans omvat mijn lichter leden
en op mijn lippen bloeit een lief refrein:
Het leven tiert op kleine tederheden,
het zal alleen maar lied en liefde zijn.
Gerard Den Brabander