24 januari
Na de 3e catechese over dienen waren vormelingen en kinderen goed present


Thomas Folens

hield volgende preek
bij de lezing over de ledematen van een lichaam
Hij is ook spreker op de ontmoetingsdag
Beste medegelovigen, Het eerste deel van het evangelie van vandaag nodigt ons uit om stil te staan bij de manier waarop mensen gelovig worden.
We worden geen christen meer door geboorte, zoals het misschien tot nu het geval was. De klassieke sporen vervagen.
In de tijd van Lucas en in het vroege christendom was het niet veel anders dan bij ons nu. Christenen waren een kleine groep.
Het was net als vandaag lang niet zo dat iedereen in de samenleving christen was. De meeste bekeerlingen waren trouwens volwassenen.
Tertullianus schreef het al: “Je ‘wordt’ christen je hele leven lang.” Maar waar begint het?
Waarschijnlijk begint iedere geloofsweg bij mensen die ons hebben voorgeleefd wat het betekent te geloven.
Mensen tonen ons in hun handelen en doen wat er inwendig in hen leeft. Geloven heb ik altijd van ‘horen zeggen’ en van ‘zien doen’.
Gelovig wordt je door en met anderen. Daarmee begint Lucas ook zijn evangelie, de ‘blijde boodschap’. Ook Lucas heeft het van horen zeggen. Hij vermeldt ‘ooggetuigen’,
zij die erbij waren vanaf het begin. Heel wat mensen hebben daarna het verhaal op hun eigen manier doorverteld en op die manier getuigenis
afgelegd van hun geloof. Het getuigenis waar we hier over spreken draagt twee elementen in zich.
Het is eerst en vooral het getuigenis over een jonge man in Nazareth: Jezus, een man die God dichter bij de mensen heeft gebracht.
In Hem is iets van God zichtbaar geworden. Maar het evangelie van Lucas is ook – en misschien moet dit op de eerste plaats komen
– een getuigenis van de invloed van de verrezen Heer op het leven van de auteur.
Beste ‘Theofilus’, beste vriend van God, de blijde boodschap is een persoon, een persoon waarmee we in relatie kunnen treden.
Wij worden opgeroepen om even betrouwbare getuigen te zijn als Lucas en diegene waarop hij zich baseert. Waarin kan ons getuigenis dan liggen ?
Zowel het evangelie als de eerste lezing helpen ons hier op weg. In de eerste lezing richt Paulus zich tot de gemeenschap van Korinthe.
Hij vertelt er wat gemeenschap vormen inhoudt. In een gemeenschap zoekt en krijgt iedereen zijn eigen plaats: jong en oud, progressief en conservatief,
maar vooral elk naar zijn eigen charisma. Een eerste getuigenis is ongetwijfeld de dialoog aangaan met hen die anders denken dan wijzelf.
Durven we in gesprek gaan zonder mensen op voorhand te veroordelen?
Een gemeenschap is volgens Paulus ook getekend door een pallet van verscheidene charisma’s.
Dat is misschien het meest typische aan een christelijke gemeenschap. Je vindt er mensen van alle rangen en standen, van alle soorten samen,
verzameld rond die ene figuur van Christus. Sommigen hebben de gave van het woord, andere laten een profetische stem klinken,
nog anderen stellen zich zomaar ten dienste van anderen. Iedereen geeft zijn eigen geloof op een andere manier vorm,
naargelang zijn eigen persoonlijkheid of karakter. Maar wat misschien het meest treft is Paulus uitspraak: “Wanneer één van de leden van de gemeenschap lijdt, lijdt heel de gemeenschap.”
Een gemeenschap getuigt in haar betrokkenheid bij het lief en het leed van de mensen die er deel van uitmaken,
maar evengoed door haar betrokkenheid op anderen. Een christelijke gemeenschap kan en mag zich immers niet in zichzelf opsluiten.
Dat zou immers betekenen dat we de vreemdeling en de vreemde, dat we Christus zelf buitensluiten.
Als het tweede deel van het evangelie van vandaag spreekt over de Geest, heeft ze het inderdaad ook over de betrokkenheid op de mensen
die vandaag te lijden hebben. We moeten niet ver gaan zoeken, denken we maar aan de mensen in Haïti.
De economische crisis richt onze blik bovendien direct op de vele mensen die werkloos dreigen te worden.
Maar laat ons de armoede waarover het evangelie spreekt niet verengen tot materiële armoede.
De titel van het jaaroverzicht ‘het jaar van de angst’ confronteert ons echter met een diepere armoede, namelijk de angst
dat het leven uiteindelijk enkel absurd is, onzinnig. Durven wij als christenen getuigen dat er voorbij de angst ook de overtuiging leeft
dat het leven fundamenteel zinvol is, dat het de moeite waard is om geleefd te worden. Christenen zijn ook mensen van hoop en vertrouwen.
Het Tweede Vaticaans Concilie schreef over de relatie met de wereld: “De vreugde en de hoop van de wereld zijn onze vreugde en onze hoop.”
De verrijzenis leert ons dat niet de dood, maar het leven uiteindelijk het laatste woord heeft.
Durven wij zoeken naar de plaatsen waar vandaag hoop en vreugde te vinden is?
We laten hier vandaag veel kansen liggen om met mensen mee te stappen.
De woorden die Jezus leest uit de boekrol van de profeet Jesaja zijn woorden van hoop.
Ik wil ze tot slot nog eens herhalen, omdat ze ook op ons betrokken kunnen worden:
De Geest heeft ons allen gezalfd bij ons doopsel.
Hij zendt ons om aan armen de Blijde Boodschap te brengen, aan gevangenen hun vrijlating bekend te maken en aan blinden dat zij zullen zien; om verdrukten te laten gaan in vrijheid, om een genadejaar af te kondigen.
Nu het brood gebroken is
en er licht ontloken is,
doet gij ons in vrede gaan,
dragen wij een nieuwe naam.

Nu de wijn is rondgegaan,
wij als mens zijn opgestaan,
schenkt gij ons uw eigen Geest
die ons kracht tot leven geeft.

Nu is het de goede tijd
die gij mensen hebt bereid.
Zie, wij leven in uw land
van verzoening, hand in hand.

Nu is alle haat voorbij
want uw Geest keert het getij:
ademnood wordt overvloed,
liefde maakt het leven goed.