Jules Supply
“Paulus zegt dat je te pas en te onpas over God moet praten. Ik houd het liever bij ‘te pas’. Ik ben hierin een economist.”
In het jaar van de Verkondiging worden we opgeroepen niet over ons geloof te zwijgen. In de serie ‘Estafette’ vertellen vooraanstaande Vlamingen vrijuit over wat en Wie hen beweegt. Jules Supply is departementshoofd van de economische afdeling van de Katho in Kortrijk en tevens coach van der werkgroep Hogeschoolpastoraal. Hij antwoordt op de vraag van Patrick Lateur in Kerk+Leven hoe je aan schoolpastoraal kunt doen in een economische richting en of de inspanningen ‘renderen’.
Verhalen, daar hou ik van. Op reis sluit ik de ogen, zie het verleden heden worden en lonken naar de toekomst. Lesgeven, die verhalen doorgeven, was altijd mijn droom. Als jonge licentiaat in de Rechten begon ik hier op de campus van de economische hogeschool. Ik gaf ook godsdienst in het middelbaar, was dus meteen verantwoordelijk voor pastoraal en rolde in het parochiewerk.
Op de barricaden stond ik nooit, maar ik blijf een ‘achtenzestiger’. De zin om volwaardig mee te denken over Kerk en geloof kun je me niet meer afpakken. Ik was jarenlang moderator van de Diocesane Pastorale Raad in Brugge en lid van het IPB. Goede samenwerking is mijn stokpaardje. Eigenlijk zou de Kerk daarin een voorbeeld moeten zijn. Helaas is dat niet altijd zo.
De zaak-Gaillot (de Franse bisschop die wegens zijn provocerende vriendschap met mensen uit de marge verbannen wed uit Evreux en titulair bisschop werd van het onbestaande bisdom Partenia) was voor mij een brug te ver. Het pastorale verdriet heeft me gelukkig niet verbitterd, maar met kerkstructuren houd ik mij sindsdien niet meer bezig. Veranderingen in de zin van meer democratie zijn nog niet voor morgen, vrees ik.
In 1996 werd ik departementshoofd aan de Hantal. Zo’n duizend studenten volgen hier een opleiding tot bachelor, wat overeenkomt met een A1-graduaat. Heel bijzonder aan onze economische hogeschool is een levensbeschouwelijk vak in elk jaar.
In het eerste jaar volgen de studenten het vak Godsdienst, in het tweede en derde jaar Bedrijfsethiek. In dat vak leren ze persoonlijk te functioneren als manager of boekhouder en antwoorden op problemen waarmee je ook in een bedrijf mee te maken krijgt. We willen geen robotjes afleveren, maar weerbare jonge mensen die goede keuzes kunnen en durven maken.
Tal van buitenschoolse activiteiten zijn uitnodigingen aan de studenten om gemeenschap te vormen en christelijke waarden te ontdekken. Een voorbeeld zijn de ontmoetingsdagen aan het begin van het academiejaar, geheel vrijwillig getrokken door 45 leerkrachten en waarin de collega’s Levensbeschouwing de hoofdrol spelen. De hemel gaf me twee geschenken: schitterend collega’s en een korps dat hen draagt. Ook trokken we met een groep studenten op bouwkamp naar Auschwitz. Deze ‘pastoraal met een lage drempel’ deed velen inzien dat verbondenheid gelukkig maakt.
Op een rechtstreekse manier over God praten ligt bij de meeste jongeren heel moeilijk. Paulus zegt weliswaar dat je “te pas en te onpas” over God moet praten, maar ik houd me liever bij “te pas”. Ik ben hierin een economist. Met Kerstmis houden we op school een kersthappening. We noemen dat bewust geen viering, want de traditionele woorden stuiten op zich al op verzet. Op zo’n manier de dingen omzeilen vind ik geen teken van zwakte, veeleer van creativiteit.
Ik zal nooit nalaten op zulke gelegenheden het woord God of Jezus te laten vallen, maar niet om de haverklap. Soms word ik versleten voor ‘mislukte pastoor’, maar ik bestempel mezelf liever als ‘gelukte leek’. Je moet vooral oppassen dat je in je spreken over God jongeren niet manipuleert. Het sleutelwoord is authenticiteit. Spreek ik over God, dan mag dat nooit geforceerd klinken. Nooit.
We grijpen de gelegenheid aan om van ons geloof te getuigen, wanneer ze zich voordoet. Bij een overlijden plaatsen we een mooie foto bij een kaars en een tekstje. Ik zal ook nooit nalaten naaste familieleden persoonlijk aan te schrijven om ze een hart onder de riem te steken. Mensen voelen dat ik het echt meen, dat het geen standaardbrief is. Tijdens de herdenking van een verongelukte leerling of leerkracht valt de naam van God, zonder omhaal van woorden. Als het leven van mensen geraakt wordt, moet je erbij zijn. Verkondiging heeft met het leven zelf te maken.
Het hoeft ook niet altijd uitgesproken te worden. Luisterend nabij zij is eveneens verkondingen. Mijn doelstelling is laag maar toch ook weer niet. In een economische opleiding in elk jaar een vak levensbeschouwing voorzien, is al uitzonderlijk. De studenten weten waarvoor ik sta. Ze weten waar mijn gedrevenheid vandaan komt, ook al ben ik geen hergroepeer of ‘slagroomjongen’.
Ik bedoel: als je over het geloof spreekt, doe het dan eenvoudig en to the point, niet hoogdravend, zonder franjes. Het is hetzelfde met lesgeven. De kunst van het lesgeven is om ingewikkelde dingen – zonder pretentie - uit te leggen aan doorsneemensen. Ik herinner me nog hoe mijn moeder me lang geleden vroeg om tussen de soep en de patatten uit te leggen wat filosofie nu eigenlijk was. Ik legde ’s anderendaags een schitterend examen af. De grootste geniën zouden van tijd tot tijd moeten lesgeven aan leerlingen van het laagste niveau, gewoon om zich ervan te vergewissen dat ze geen gezever verkopen.
Ik leef in het vertrouwen dat Hij van hierboven me niet loslaat. Eigenlijk ben ik een lotgenoot van de zoekers. Ik hoop een betrouwbare mens te zijn en vind het vooral belangrijk om dat vertrouwen door te geven.
Of ik rendement bespeur van mijn pastorale bewogenheid op school? Moeilijk om dat in cijfers uit te drukken. Hoe meet ik, de weerbaarheid en sociale vaardigheden van onze studenten? In elk geval slaat ons onderwijsproject aan. Het marktaandeel van onze school is gestegen. Die cijfers kan ik opzoeken, maar mij gaat het dus om het weerbaar maken van onze studenten, hen een visie meegeven. Ik hoop dat bedrijfsleiders en werkgevers daar ook oog voor hebben, dat zij die kwaliteiten bij hun werknemers kunnen waarderen.
Lieve Wouters