FEDERAAL PROFIEL: RITA POLLENTIER

EEN STERKE VROUW IN DE KERK
Ze is full time kinesist in een revalidatiecentrum voor kinderen met leermoeilijkheden te Heule, is met huid en haar verbonden aan de parochie Sint-Maarten en leeft in Huis van Vrede op de Magdalenawijk (Marksesteenweg), een uithoek van de centrumparochie. Tijd voor een gesprek met een vrouw die liever achter de schermen werkt dan op de voorgrond treedt: Rita Pollentier.
Rita, je bent geboren en getogen te Kortemark. Vertel ons iets meer over je jeugd.
Ik ben geboren in 1956 en groeide op in een traditioneel gelovig gezin. Thuis was het plaatselijke CERA-kantoor en AVEVE (Boerenbond). We zijn met z’n vijven: ik heb een zus en drie broers. Het sociaal engagement kregen we met de paplepel mee. Mijn ouders waren sterk betrokken bij het verenigingsleven en bekommerden zich om het individuele doen van mensen. Naast sport bedrijven en een beetje muziek beoefenen, was ik lid van de K.L.J. (Katholieke Landelijke Jeugd). Door een knieletsel kwam er tijd vrij om mij binnen de leidingploeg van K.L.J. in te zetten. Dat werd al vlug, naast de plaatselijke groep, ook een gewestelijk, provinciaal en nationaal engagement. Het waren de “nadagen” van 1968 met topics als maatschappijkritisch denken, derde wereld enz. Ze stonden regelmatig op de agenda en verruimden mijn blik. Ik bewaar goede herinneringen aan mijn tijd als monitrice vlaggenzwaaien, waarvoor ik indertijd het hele land doorkruiste. Voor de K.L.J. zat ik ook in de Diocesane Pastorale Raad en van daaruit weer in het Interdiocesaan Pastoor Beraad. Ik leerde daardoor ook de mogelijkheden én de stugheid van kerkbesturen kennen. Het was een boeiende en zeer afwisselende tijd.
Ben je altijd gelovig geweest?
Gelovig allicht, kerkelijk is iets anders: ik herinner me de tijd dat ik aan competitievolleybal deed en mijn ouders toch verwachtten dat ik de zondagmorgen naar de mis ging. Vader was decennialang voorzitter van de kerkfabriek. De eerste mis was om 7.30 uur en dan stond ik ook wel op maar ging rustig naar het volleyballokaal. Ik heb lange tijd afgehaakt omwille van het instituut en de burgerlijkheid. Ik ben een kritische, zoekende gelovige geworden. Ik vind dat geen contradictie.
Heb je in Kortrijk je draai gevonden?
Ik ben hier voor mijn werk terechtgekomen. Ik had niet direct enig contact met een parochie. Jules Supply, die ik kende vanuit de Diocesane Pastorale Raad, vertelde mij over de St.-Maartensparochie en wekte zo mijn nieuwsgierigheid. Ik kwam af en toe naar de vieringen en ging weer met ups en downs op zoek naar de betekenis van geloven voor mezelf. Door mijn interesse voor derde en vierde wereld kwam ik in die werkgroep terecht. Eerst met de pastoors Frans Verhaeghen en Mark Delrue. Deze laatste sprak me aan voor het parochieteam waarin ik werd aangesteld toen priester Johan al pastoor was. Ik kwam thuis in de eigentijdse liturgie van Sint-Maarten maar onderschreef ook ten volle de keuze voor de armen: het feit dat we tijdens de advent en vasten wekelijks collecteren voor respectievelijk Welzijnszorg en Broederlijk Delen is toch veelzeggend. Er is de inhoudelijk en vormelijk sterk verzorgde liturgie maar ook de diaconie trilt altijd mee bij wat we doen.
De solidariteit met armen staat bij jou wel zeer centraal.
Inderdaad, sociale rechtvaardigheid en erkenning van elk individu vind ik essentieel. Ik ben geëngageerd in ATD Vierde Wereld en houd me bezig met Welzijnsschakel. In de uitspraak van Père Joseph Wrésinsky, de stichter van ATD: “Waar mensen gedoemd zijn in armoede te leven, worden de rechten van de mens geschonden. Wij zijn hen verplicht ons aaneen te sluiten om die rechten te doen eerbiedigen”, kan ik me helemaal herkennen. Ik ben blij dat er in de federatie Groeninge en bij uitbreiding het decanaat Kortrijk, veel aandacht gaat naar mensen in armoede.
Binnenkerkelijk ben je lector in de St.-Maartenskerk, maak je deel uit van de denkgroep, de werkgroep derde wereld en ben je hoofdverantwoordelijke van de grote acolietenploeg. Aan dat laatste heb je jouw hart verpand, weet ik.
Met kinderen en jongeren werken is voor mij een uitdaging. Beroepshalve en ook binnen de kerk. In de parochie zijn er gelukkig nogal wat jonge mensen actief. De misdienaarwerking mag ik begeleiden samen met Frédéric en Benoit, twee jongvolwassenen. Het is belangrijk dat jongeren vanaf twaalf jaar ervaren dat er ook oudere misdienaars zijn en dat ze worden begeleid door jonge mensen die niet zoveel ouder zijn dan zijzelf. Dat gaat goed, ik ben er blij om: het is fijn als mensen doorgroeien en zin vinden in wat in kerk en liturgie gebeurt. Ik hoop dat het ook in de toekomst mogelijk zal blijven.
Je leeft celibatair en maakt deel uit van Huis van Vrede. Nooit gedacht om in te treden in een klooster?
Zeer duidelijk: neen, dat is niet mijn weg. In de inkom van ons huis hangt een citaat van Franciscus: “Ga ergens wonen onder de mensen, leef er in vriendelijkheid en dienstbaarheid en laat zo zien dat je van Christus bent.” We proberen ons in te zetten in kerk en maatschappij en voelen ons daar goed bij, ook al is het met alle verzamelde engagementen en verantwoordelijkheden vaak erg druk.
Alsof dat allemaal nog niet genoeg is, volg je ook Hebreeuws. Waarom?
Ik ben daarmee begonnen toen ik vijftig werd. Tijd om Sara in haar eigen taal tegen te komen, zeker? Nee, Bijbelstudie heeft mij altijd gefascineerd en nu wil ik mij kunnen verdiepen in de grondteksten. In de vakantie lezen we met de cursisten in de abdij van Male het Bijbelboek Jonah, het worden zeker en vast boeiende dagen, ik kijk er al naar uit. Ik ben wel nog geen hebraïst, hoor.
Veel van jouw tijd verdwijnt in kerkwerk. Word je dat dan nooit moe?
Ik probeer mij in te zetten vanuit het evangelie: dat word ik in elk geval niet moe. Van de kerk word ik dat soms wel, maar dan kom je weer boeiende mensen tegen en doe je verder. Samen. Zolang we plaatselijk goede en waardevolle dingen kunnen doen, blijf ik mij inzetten. Wat beter kan, probeer ik mee te veranderen en wat goed is, te bestendigen.