Levensbeschouwingen vervullen rol in samenlevingsopbouw
Erflater moet erfgenaam zijn
Kan een specifieke religie de pluralistische democratie ondersteunen? Wat is de rol van levensbeschouwingen in het nieuwe, gelaïciseerde Europa?
En valt de christelijke wortel van onze cultuur daarin te negeren? In zijn toespraak bij de opening van de opleiding ‘Levensbeschouwing, overheid en samenleving’
aan de Universiteit Antwerpen, ging filosoof Piet Raes op die vragen in.
PIET RAES
Als je over de plaats van levensbeschouwing in deze pluralistische democratie wilt spreken, moet je duidelijk zijn over je eigen levensbeschouwelijke positie.
"Admettre ces enracinements c' est entrer de plein droit dans le pluralisme," schrijft Paul Valadier. Welnu, ik situeer me binnen
het katholieke christendom. Het katholicisme is de taal die ik van kindsbeen af spreek. Het is mijn moedertaal. Mijn 'grammar of life'.
Ik kan niet anders dan in die taal over de rol van levensbeschouwingen in de samenlevingsopbouw spreken.
Ik wil het hebben over de relatie tussen levensbeschouwing en democratie. Meer in het bijzonder over de opdracht van levensbeschouwingen om,
in hun eigen taal, onze pluralistische democratie theoretisch te onderbouwen.
De pluralistische democratie is een regeringsvorm waarin burgers participeren die deel uitmaken van een verscheidenheid van maatschappelijke groepen -
sociale pluraliteit - en die bovendien verschillende filosofische of religieuze overtuigingen hebben -
levensbeschouwelijke pluraliteit. Omwille van die sociale en levensbeschouwelijke pluraliteit heeft de democratie nood aan een consensus tussen burgers over de
kernwaarden van de democratie. In de woorden van John Rawls: er is nood aan een 'overlapping consensus'.
Let wel, het is mij hier niet te doen om wat het voorwerp van die overlappende consensus is. De vraag luidt hier: welke regels, procedures, principes en waarden
vormen de harde kern van ons politiek systeem? Het gaat mij wel om de overtuiging dat - willen we voorkomen dat onze samenleving uiteenvalt -
de levensbeschouwingen voor de opgave staan de Europese moderniteit uit hun eigen premissen af te leiden. Zijn we in staat met elkaar samen te leven?
Die vraag is niet aan de orde. Wel aan de orde is: kunnen we met elkaar samenleven en tezelfdertijd levensbeschouwelijk onszelf blijven?
Of nog: moeten we voor een bewuste en actieve deelname aan de pluralistische democratie een stap uit de levensbeschouwing doen of niet?
Lang voor het hedendaagse discours over de nood aan 'shared values' (Amitai Etzioni) schreef Jacques Maritain in zijn hoek
L'homme et l'état(1951) dat de pluralistische democratie een gemeenschappelijke gedachte nodig heeft.
"[Democratie] moet in zich een gemeenschappelijk menselijk geloof dragen, het geloof in vrijheid."
Dit gemeenschappelijke geloof is geen religieus geloof. Het is een seculier, of beter nog, een civiel geloof.
Burgers moeten het eens zijn over wat hen bindt in een democratische staat. En, niet onbelangrijk,
die eensgezindheid moeten ze verinnerlijken. In de woorden van vandaag: het burgerschap moet actief zijn.
Burgers moeten actief betrokken zijn op de samenleving. Ze moeten zich op een positieve wijze identificeren met de waarden
van onze pluralistische democratie.
Velen zien vandaag in die context een rol weggelegd voor de levensbeschouwingen. Die moeten mee de bezielers zijn van zo'n
actief burgerschap. Levensbeschouwingen moeten mee aan tafel op het moment dat de civiele samenleving over een
overlappende consensus onderhandelt. De levensbeschouwing is een vierde macht.
Allemaal goed en wel, maar er is een voorafgaande vraag die eerst een antwoord moet krijgen. Immers, het probleem van onze
pluralistische democratie is volgens mij niet dat er tussen levensbeschouwingen geen overeenstemming zou kunnen groeien
over een aantal gedeelde kernwaarden en procedures. Ik acht een politiek equivalent van het Esperanto best mogelijk. De
grammatica en het vocabulaire zullen zonder twijfel juridisch zijn. Maar dit alles is bijkomstig. Essentieel is of elke
levensbeschouwing in staat is het civiele geloof in de pluralistische democratie in de eigen taal te formuleren.
Het gaat dus niet alleen om de noodzaak van een gedeeld seculier geloof in de democratie. Dat is een noodzakelijke, maar
geen voldoende voorwaarde. Het gaat vooral om het feit dat religies en levensbeschouwingen dat geloof theoretisch moeten
kunnen onderbouwen met gereedschap van de eigen levensbeschouwelijke overtuiging. Religies en levensbeschouwingen staan
voor de opdracht het seculiere geloof in de democratie te verinnerlijken vanuit bun eigen levensbeschouwelijke motieven.
Indien dit niet gebeurt, indien het seculiere geloof enkel met de lippen en niet met het hart wordt beleden, dan zal het
pluralisme van de democratie passief en niet actief zijn. Eerder van de orde van de onverschilligheid dan van de orde van
het engagement.
Met andere woorden, op lange termijn is de zoektocht naar een overlappende consensus ondergeschikt aan de vraag of elke
levensbeschouwing op eigen kracht, van binnenuit, die consensus theoretisch kan onderbouwen.
Maar dat alles is niet vanzelfsprekend.
De kernwaarden van de Europese pluralistische democratie zijn niet cultureel en levensbeschouwelijk indifferent.
We behoren als Europeanen tot een continent dat ons, ipso facto, naar de Griekse mythologie terugvoert.
Europa, zus van Kadmos, stoeide met vriendinnen op het strand en durfde het aan op de rug van een als stier vermomde
Zeus te klimmen. Zeus voerde haar mee de zee in en op Kreta schonk Europa het leven aan drie zonen. Kortom, alleen al de
naam 'Europa' uitspreken, is de Griekse mythologie binnenstappen. De mythen liggen ten grondslag aan de Europese
beschaving en aan de filosofie die ontstaan is als een kritische terugblik op de mythische denkwijze.
Maar er is meer. Er is niet alleen Athene. Er zijn ook Jeruzalem en Rome. Jeruzalem staat voor het bijbelse universum:
de tien geboden, de profeten, zin voor rechtvaardigheid (Salomon) en, belangrijk, de principiële scheiding tussen het
temporele en het spirituele. Rome verwijst naar de staat van het recht. Een staat die niet bevolkt wordt door mensen of
burgers, maar door personen die rechten kunnen laten gelden ten overstaan van andere mensen en van goederen.
Welnu, Europa is het spanningsveld tussen die drie steden. En hoe je het ook draait of keert, wij zijn de erfgenamen van
die erfenis. Wie in zijn eigen levensbeschouwelijke taal een erflater wil zijn, zal ook een erfgenaam moeten zijn.
Europa mag dan ontstaan zijn uit het samenspel tussen de Griekse rationaliteit, de joodse zin voor transcendentie en de
Romeinse rechtstaal, de verdere ontwikkeling van Europa is niet te begrijpen zonder het christendom. Ik denk dan in het
bijzonder aan de impact van de religieuze logica van het christendom op de ontwikkeling van de moderniteit in Europa.
Europa is vandaag een postchristelijk continent. Sociaal betekent dit dat onze samenleving nog wel religieuze
referenties kent, maar niet meer religieus gestructureerd is. Politiek betekent het dat de politiek niet meer door de
religie wordt gecomandeerd. Die postchristelijke wereld staat evenwel in een heel specifieke verhouding tot het christendom.
Volgens Marcel Gauchet is ze er zelfs op een endogene manier uit voortgekomen. "C'est de l'intérieur du monde chrétien
que cette civilisation extra religieuse s'est formée."
Het christendom is namelijk 'la religion de la sortie de la religion'. Duidelijker is het om te zeggen 'la religion de la
sortie du monde religieux'. 'Sortie' betekent hier: de postchristelijke werld is uit het christendom voortgekomen en ze is
eruit weggegaan. Merkwaardige paradox. De religieuze logica van het christendom is de kracht achter de uitstap van Europa
uit de religieuze wereld. En op politiek vlak dus ook de kracht achter het ontstaan van onze pluralistische democratie.
Let wel, dat het christendom zelf ten grondslag ligt aan de postchristelijke wereld, betekent niet dat het christendom
geen problemen heeft gehad (of heeft) om de moderniteit, in het bijzonder de pluralistische democratie, te erkennen.
Integendeel zelfs. De katholieke godsdienst in het bijzonder heeft lange tijd de postchristelijke wereld openlijk
bestreden. Het katholicisme heeft de democratie als een beweging tegen de godsdienst gezien.
Volgens Gauchet - en ik meen dat hij sterke argumenten heeft - is de postchristelijke wereld een kind van het christendom.
Zijn redenering komt, kort gezegd, hierop neer. De religieuze wereld zag zichzelf in een relatie van afhankelijkheid.
Maar afhankelijk waarvan? Afhankelijk van een uitwendigheid, 'une extériorité', een sacrale alteriteit. Die afhankelijkheid
was zo sterk dat mensen die in een religieuze wereld leven het gevoel hadden dat de zin en de waarde van hun leven te
maken had met een soort van verschuldigd zijn tegenover die uitwendigheid, tegenover een heilige alteriteit. Gauchet
spreekt over 'dette du sens'. Die sacrale uitwendigheid heeft in de loop van de religieuze geschiedenis verschillende
vormen aangenomen: de voorouders, de natuurkrachten, het veelgodendom.
De joodse traditie beklemtoonde als eerste de absoluutheid en de eenheid van de uitwendigheid, van de Godheid. En hoe meet
God iets anders werd dan de wereld, hoe meer de wereld iets anders werd dan God. De wereld werd meer en meer iets dat op
zichzelf stond en uit zichzelf te begrijpen was. Het christendom kwam in de geschiedenis als een religie
van de herinterpretatie, zowel van de religieuze traditie die haar voorafging, de joodse traditie, als van de cultuur waarin ze gedijde, de Romeinse cultuur. Het christendom herbekeek
de relatie tot de uitwendigheid grondig. De absoluut transcendente God nam de gedaante aan van een persoonlijke en relationele God die zich bovendien in Christus verbindt met de
mens. En hoe meer God als een Persoon werd begrepen, hoe meer de mens zichzelf - als beeld en gelijkenis - als een persoon begreep. Zo is het persoonsbegrip uit het christendom
voortgekomen en er als subject uit weggegaan.
Punt is nu dat er zich vandaag op Europese bodem religieuze en levensbeschouwelijke tradities bevinden die niet de moderniteit hebben voortgebracht waarin wij ons vandaag
bevinden. Dit zegt niets over hun eventuele capaciteit om zich in de Europese moderniteit te herkennen, maar feit is wel dat zij zich vandaag op een exogene manier tot die Europese
moderniteit verhouden. En dus ook tot de pluralistische democratie. Vandaag schrijven zij zich wel in die moderniteit in - Turkije voert de overspelwet af -, maar hebben ze een
andere keuze?
En precies daar doet zich volgens mij de kern van de moeilijkheid voor. Christenen kunnen vandaag - de strijd is lang en
heftig geweest - in de eigen levensbeschouwelijke taal de grammatica van de moderniteit ontdekken. Maar voor een aantal
religieuze en levensbeschouwelijke tradities is de Europese moderniteit een fenomeen dat nog steeds 'van buiten' komt.
En natuurlijk, als je voor de opdracht staat die moderniteit vanuit de eigen levensbeschouwing te onderbouwen, dan maakt
het een enorm verschil of je je kunt aanpassen 'van binnenuit' of je je - onder relatieve dwang - moet schikken naar
iets dat 'van buitenaf' komt. Ik denk niet alleen aan de islam maar oaok aan de godsdienst waartoe ikzelf behoor. Het is
ook een opdracht voor het (katholieke) christendom. Zal zij zich kunnen omvormen tot een godsdienst die de verworvenheden
van de moderniteit als iets van zichzelf herkent en erkent?
De vraag voor de toekomst is met andere woorden of alle religies en levensbeschouwingen in staat zullen zijn om, met een
blik naar binnen, met een kijk in het eigen levensbeschouwelijke hart, de Europese moderniteit op het spoor te komen.
Dit betekent dat de ontmoeting tussen levensbeschouwingen - de interlevensbeschouwelijke dialoog, de beweging naar de
ander - moet vergezeld gaan van een beweging naar binnen - de intralevensbeschouwelijke dialoog, de beweging naar zichzelf.
Het probleem van de interlevensbeschouwelijke dialoog is niet of we mensen van goede wil vinden die oprecht naar elkaar
willen luisteren. Het probleem is veeleer hoe de deelnemers aan die dialoog zich verhouden tot alle fracties binnen de
eigen levensbeschouwing.
Die beweging naar binnen, dat kritische onderzoek van de eigen religieuze logica, de interne discussie, veronderstelt tijd.
Veel tijd. We mogen niet vergeten dat het christendom zelf ongeveer een eeuw nodig heeft gehad om de pluralistische
democratie 'van binnenuit' te funderen. Wie dus vandaag als christen aan andere religies en levensbeschouwingen onmogelijke
eisen stelt, vergeet al te vaak de eigen worsteling met de moderniteit. Maar de duur van de onderneming mag geen principieel beletsel zijn. Willen levensbeschouwingen echt een rol
spelen in de samenlevingsopbouw, dan zullen elke religie en levensbeschouwing die op Europese bodem wonen, uiteindelijk in staat moeten zijn om de kernwaarden van de
pluralistische democratie in de eigen levensbeschouwelijke taal uit te spreken.
Ik had het tot nu toe over de opdracht waarvoor levensbeschouwingen staan als ze een rol willen spelen in de opbouw van de samenleving. De nieuwe opleiding 'Levensbeschouwing,
overheid en samenleving' bevat evenwel nog een derde kernwoord: overheid. Daarom ga ik heel kart nog even in op de relatie tussen religie, levensbeschouwing en politiek.
Het is onloochenbaar. Het religieuze en levensbeschouwelijke is 'terug van weggeweest' op het publieke forum. Dat bIijkt al uit de oprichting van deze opleiding. Maar ook uit de
ontelbare studiedagen en symposia die vandaag aan dat thema zijn gewijd. Is die renaissance van hetpublieke belang van religies en levensbeschouwingen, in het
licht van al het voorgaande, niet vreemd? Aan de ene kant zijn we het erover eens dat het religieuze en
het levensbeschouwelijke zijn overgegaan van een sociale en politieke realiteit naar een individuele en psychologische
realiteit. Privatisering van godsdienst en levensbeschouwing, zeggen sociologen.
Maar aan de andere kant zien we dat, niettegenstaande die privatisering, de maatschappelijke impact van religies en
levensbeschouwingen alleen maar is toegenomen. Wie het Franse debat over de hoofddoek en over de uitvoering van het
rapport-Stasi heeft gevolgd, weer wat ik bedoel. Wat is er de voorbije vijftig jaar gebeurd dat die paradox kan
verhelderen?
Het antwoord is eenvoudig. Het laïcisme heeft gewonnen. Waar dat nog niet het geval was, is in Europa een beweging aan de
gang in de richting van de scheiding van kerk en staat. Anders gezegd, de politieke sfeer wordt meer en meer religievrij.
Kerken worden meer en meer erkend als instituties die deel uitmaken van de civiele sfeer. Trouwens, is de kwestie rond de
Turkse overspelwet iets anders dan een triomf van het laïcisme? Betekent het iets anders dan de vaststelling dat Europa
een strafwet met religieuze inslag niet duldt? Maar ook voor de katholieken in Vlaanderen heeft God geen politieke
betekenis meer. Er is geen christelijke wet meer.
Kerken, godsdiensten, religies en levensbeschouwingen behoren voortaan tot de civiele samenleving. De preambule van de
Europese grondwet verwijst niet naar specifieke religies, laat staan naar de christelijke God, maar artikel 51 van
diezelfde grondwet laat zien dat de Europese Unie met kerken en niet-confessionele organisaties zal omgaan zoals ze
omgaat met de sociale partners en met het maatschappelijk middenveld.
Het laïcisme heeft gewonnen. Maar er is een 'maar'. De herschikking van de verhouding tussen godsdienst en politiek heeft
onvermoede gevolgen, zowel voor de godsdienst als voor de politiek. Aan de ene kant zijn de godsdiensten, religies en levensbeschouwingen in plaats van
'ruimtes van geloof en zin' 'makers van identiteit' geworden. Aan de andere kant heeft de politiek een tegenstander verloren waaraan ze voor een stuk haar eigenwaarde en 'drive' ontleende.
Anders gezegd, de heftigheid van de strijd tussen politiek en godsdienst verleende aan de politiek een zekere bezieling, een ideaal. De politiek moest en zou de menselijke vrijheid
realiseren. Bijvoorbeeld door de christelijke caritas te absorberen in de neutrale verzorgingsstaat.
De strijd is gestreden, de religie is als politieke macht verslagen. Maar tezelfdertijd heeft de politiek ook haar grote bezielende en emanciperende kracht verloren. De politiek heeft de
religie knock-out gesiagen, maar hangt zelf ook in de touwen. Gevolg: de politiek is triviaal geworden. Positiever geformuleerd, de poIitiek is pragmatiek geworden. Instrument.
En hoe meer de politiek bIijk geeft van het feit dat ze geen grote maatschappelijke idealen meer heeft, hoe meer diezelfde politiek in de richting kijkt van religies en
levensbeschouwingen. Politici roepen religies en levensbeschouwingen op om mee te helpen de samenleving op te bouwen. Niet als dragers van zin maar als
verleners van identiteit.
Ooit was dat een taak die de politiek voor
zichzelf zag weggelegd. Sommigen herinneren zich misschien nog de slagzin van het Kerstprogramma van de CVP, 'De CVP zal
de bouwmeester zijn'. Vandaag is de politiek niet langer bouwmeester, laat staan architect, maar veeleer conducteur op de
werf. En dus moeten kerken, godsdiensten, religies en levensbeschouwingen opnieuw maatschappelijk meespelen. Ze moeten de
verbindende kracht leveren die de politiek niet meet bezit. Niet vanuit de politieke sfeer, maar als civiele kracht.
Een vierde macht.
We kunnen veel kanttekeningen maken bij al het voorgaande. We kunnen bijvoorbeeld wijzen op de verschillende soorten
verhoudingen tussen kerk en staat in Frankrijk, België, Groot-Brittannië en de Verenigde Staten. We kunnen wijzen op de
eigen juridische en politieke positie van het vrije initiatief in Vlaanderen. We kunnen vragen stellen bij de excessen van
de moderniteit, de impact van het consumentisme op de politiek. Akkoord.
Maar kunnen we ontkennen dat het laïcisme, in welke variant dan ook, heeft gewonnen? Kunnen we negeren dat de politiek
haar metafysische dimensie heeft verloren? Kunnen we loochenen dat de politiek haar oriëntatie kwijt is en dat ze, nog
meer dan vroeger, dreigt met alle winden mee te waaien? En met 'alle winden' bedoel ik: nieuwe drukkingsgroepen en andere
vormen van 'collectief egoïsme'. Laat het DHL-dossier niet vooral zien dat de politiek nog geen taal heeft gevonden om
met haar eigen relativiteit om te gaan?
Piet Raes is filosoof en stafmedewerker van hel Vlaams Secretariaat van het Katholiek Onderwijs (VSKO).
De opleiding 'Levensbeschouwing, overheid en samenleving' is een initiatief van het Universitair Centrum Sint-lgnatius
Antwerpen (UCSIA) en het International Institute Canon Triest (IICT). Info via www.ucsia.be of www.iictriest.org.
‘in de kijker’ Tertio 3 november 2004