VAN DE SCHIL NAAR HET KLOKHUIS -
TOESPRAAK PASTOOR CARLOS DESOETE OP ORIËNTATIEFEEST

Carlos Desoete is moderator van de Brugse federatie Sint-Andries-Sint-Michiels. De man heeft een Chiroverleden en dat werkt nog na in de beelden die hij gebruikt tijdens zijn gesmaakte causerieën zoals tijdens het voorbije Oriëntatiefeest te Torhout. Dat van de appel bijvoorbeeld…

Ik vergelijk het leven graag met een appel. Een appel met schil en vlees en klokhuis. De schil, dat is de buitenkant; dat wat op het eerste gezicht te zien is: wat we hele dagen doen, hoe we ons organiseren, wat we zeggen en hoe wij ons uitdrukken enz.
Zoals de schil van de appel bepaald is door zon en regen, door bemesting en verzorging, zo is ons leven ook getekend door al of niet toevallige ontmoetingen van buitenaf: onze opvoeding, de vorming die wij genoten, de taal die we met de moedermelk ingelepeld kregen, de streek waar wij wonen, de cultuur die ons omgeeft, de tijdsgeest, de mode… Wij zijn kinderen van onze tijd, zeggen we, en dat is aan de buitenkant te zien.
Maar wij zijn nog zoveel meer.

Als je wat dieper boort, kom je terecht in het vlees van de appel. Dat is wat de appel waardevol maakt. In het vlees zitten de vitamientjes, de smaak, de voedingswaarde. Dat is meer dan aan de schil te zien is.
Vraag is dus: wat maakt ons leven waardevol? Die vraag komt vaak op als het niet meer evident is wat we doen, als het niet meer ronddraait. Waarom maken we bepaalde keuzes? Of zoals iemand het verwoordde tijdens een conflict in de vereniging: waar zijn we in godsnaam mee bezig!
Bij die vragen praat je niet meer over wat je doet, maar waarom je het doet. Over de motieven die je drijven, over waarden die je in je leven belangrijk vindt. Je hebt het dan over eerlijkheid, vriendschap, verbondenheid, vrede, respect… en die waarden zijn ook te zien aan de schil. Ze doordesemen ons handelen, ze klinken mee in ons spreken.
Maar er is nog meer.

Als je nog wat dieper boort, kom je uit bij het klokhuis van de appel. Normaal is dat iets wat je weggooit. Je kan daar niet veel mee doen. Nochtans haalt een appel al zijn kracht en smaak en kwaliteit uiteindelijk uit zijn klokhuis.

Wat is ons klokhuis?
Wat is de kern van ons leven, dat waar het uiteindelijk om gaat? Wat - of Wie - is het eerste en laatste antwoord? Wat of Wie is de Bron? Anders gezegd: wie is onze God? Vandaag kan dat van alles zijn. Mensen zijn op vele wijzen op zoek naar hun klokhuis, naar iets dat hun leven samenhang geeft, dat hen verbindt met al wat leeft, naar religie dus. Maar religie en geloof zijn niet hetzelfde. Ons geloofsboek, de Bijbel, is het groot verhaal van mensen op zoek naar hun klokhuis.
Via ervaringen komen zij Hem op het spoor die meer dan mensenwerk. Wie is die wondere aanwezigheid die er was toen wij gered werden uit Egypte? Geleidelijk komt zij op het spoor van Jahwe: Ik zal er zijn voor u. Dat is de naam van onze God. Dat is de kern, ons klokhuis. Anders gezegd: wij zijn van bij de wieg tot aan het graf, en tot over het graf aangesproken met die naam. Wij zijn beminde mensen, totaal en onvoorwaardelijk. Dat is het klokhuis, de kern die heel ons leven doordringt en die te zien is aan de schil, de buitenkant van ons leven.
Wij zijn meer dan onze buitenkant. Wij zijn meer dan ons waardepatroon. Wij zijn bezield met een grote onvoorwaardelijke Liefde.
Als dat zo is, dan kan het ook aan ons te zien zijn. Dat is wat Mozes bedoelde toen hij aan het volk een leefregel gaf: een nieuwe manier van leven, in 10 punten, want wij zijn volk van God, volk van 'Ik ben er voor u', en dit mag zichtbaar worden in onze relaties, in ons omgaan met elkaar, in onze politiek en economie.

Van het klokhuis naar de schil
Leven vanuit je klokhuis. Bij niemand hebben we het zo sterk gezien als bij Jezus. Alles sprak in Hem van 'Ik ben er voor u'. Het klonk mee in zijn woorden, het doorscheen zijn handelen, zodat mensen zeiden: 'Kijk, er gaat van Hem een kracht uit die mensen beter maakt. We hebben God gezien, we hebben Hem zien gebeuren'. 'Wie mij ziet, ziet de Vader', laat Johannes hem zeggen tegen Filippus.
Jezus, de zoon van de mensen, heeft God zichtbaar gemaakt. Hij was sacrament van God, kan je zeggen. Het gaat hier dus niet om ceremonieën en vieringen, maar om een mens die Gods liefde aanwezig brengt. Of zoals de kardinaal zegt in 'Biecht van een kardinaal': die Gods tederheid voelbaar maakt in onze wereld. Jezus, sacrament van God. En kerk zijn betekent sacrament zijn van Jezus Christus. Daar heb je dat woord: kerk. Een woord dat zoveel oproept aan pijn en verdriet, een voor of tegen, een woord dat bij velen op de zenuwen is gaan werken, en waar wij o zo gemakkelijk spreken in de derde persoon. Iets buiten ons. Laat dit vandaag duidelijk zijn: over kerk moet je spreken in de eerste persoon meervoud: wij zijn kerk, wij allen samen, en niet alleen de priesters en de bisschoppen die de structuur belichamen. Wij zijn kerk, want we zijn gedoopt en gevormd. Gedoopt in Jezus Christus en gevormd in zijn Geest.
De vraag is dus niet: willen wij erbij horen, maar: hoe gaan wij kerk zijn?

Sacrament zijn
Hoe gaan wij kerk zijn? Dat is veel meer dan: wat gaan we doen, op touw zetten, realiseren..? Het gaat dit jaar over de sacramenten. Spontaan denken we dan aan een doopviering, een eucharistieviering, vormselviering, huwelijksviering… met andere woorden: aan plechtigheden, ceremonies…
Maar het gaat om veel meer.
Sacrament is iets dat verwijst, dat verder wijst, dat zegt: hier is meer dan mensenwerk, hier is God aan het gebeuren. We zeggen dat van een ritus, een woord, een teken, een symbool. En ook van een mens.
Zoals men dat zei van Jezus. Vooral na zijn dood en verrijzenis, als het hen klaar werd, zeiden ze: we hebben God (aan het werk) gezien, in al wat Hij deed en zei. God was hier aanwezig. Hij gebeurde. Kerk zijn is sacrament zijn van Jezus Christus. Dat betekent geenszins dat wij beter zijn… Maar dat wij, zo gebroken als wij zijn, een opdracht hebben om sacrament te zijn. Om Hem tegenwoordig te stellen, zichtbaar te maken. Gij zijt sacrament. Anders gezegd: we zouden aan u willen zien wie God is, wie Jezus Christus is, hoe Hij vandaag gebeurt.
Zoals het verwoord werd in dat boek 'Biecht van een kardinaal': geloven is zichzelf aanvaarden als Gods handen in de wereld.
Christenen zijn heenwijzers. Mensen die met heel hun wijze van leven Jezus Christus zichtbaar maken, die Hem tegenwoordig stellen in onze wereld. Je mag dat vieren, je moet dat leven.

Om een paar voorbeelden te geven. Dopen vier je slechts eenmaal in uw leven, maar, lieve ouders, dopen, dat doe je elke dag. Elke dag dompel je jouw kind onder in het levend water van uw geloof, van uw liefde… Alleen op deze weg kan een kind liefde leren kennen, het moet het zien, voelen, ervaren. Alleen zo komt het op het spoor dat de kern van alle leven - onze God - liefde is. Dat is dopen. Sacrament zijn.
Elke dag geef je gastvrijheid en zeg je tegen bezoekers: kom binnen, en dat betekent veel meer dan een woord. Dat betekent: deel maar even voor een korte of langere tijd in mijn leven, proef maar even hoe wij leven, wat ons daarbij drijft en bezielt. Dat is dopen. Dat is sacrament zijn.
Huwen vier je (meestal) maar één keer in je leven, maar elke dag zeg je tegen mekaar: ik ben er voor jou, en vervoeg je Gods naam, maak je Hem zichtbaar. Je bent sacrament van Gods liefde. En je mag dat vieren, maar je moet dat vooral leven. Vieren en leven horen samen…
Een zieke moet je zalven en hem de handen opleggen, zegt Jacobus. Dat is veel meer dan een priester erbij roepen als hij in zijn laatste uren gekomen is. Het zieke lid van de gemeenschap is hem of haar die pijn lijdt, gebrokenheid ervaart, teruggeworpen is op zijn beperktheid en zijn kwetsbaarheid, en daardoor aan de rand van de gemeenschap verzeild is geraakt. Je ziet hem niet meer in de bijeenkomst, hij geraakt geruisloos vergeten. Dan is het de opdracht van de gemeenschap om hem nabij te komen, hem te omgeven met aandacht en zorg en tederheid. Dat vraagt tijd en vaak veel energie. Dat is handen opleggen, dat is zalvend nabij zijn. Dat is Gods liefde zichtbaar maken.
Ze zijn vandaag met velen: onze zieken- en mantelzorgers; al die vrijwilligers die even op bezoek komen en een korte of langere tijd bij het ziekbed komen zitten. Hun tedere nabijheid openbaart Gods tederheid. Hun luisterend oor openbaart Gods liefdevolle aandacht. Hun woord van bemoediging openbaart Gods Naam: ik ben er voor jou. Zij zijn sacrament van God.
Biechten doe je af en toe. In onze tijd hebben het daar niet gemakkelijk mee. En toch. Ze zijn schaars, maar zo bevrijdend, die momenten dat je bij iemand mag thuiskomen met je kwaad en je wonden. Dat je ze niet meer hoeft weg te steken, ook niet voor jezelf. Ze zijn zo bevrijdend, die momenten dat je je schaduw mag erkennen, en weten dat dit ook je eigenheid uitmaakt. Ze zijn zo bevrijdend, die momenten dat je dan een woord van vergeving toegesproken wordt, dat wil zeggen: dat je toch graag gezien bent, niet ondanks maar met je kleinheid. Vergeven is een lange weg, die gebeurt in zeventigmaal zeven stappen. Er bestaat geen liefde tussen mensen zonder stappen van vergeving. En elke keer dat dit gebeurt, weet je: ik ben bevrijd, en dat is meer dan mensenwerk. Je komt weer thuis, bij jezelf en bij elkaar en bij God. Want Hij is aan het gebeuren.
In de weg van de vergeving zijn wij sacramenten van Gods vergeving. Zijn liefde mag je ontvangen in het klokhuismoment van de biecht, maar je mag ze elke dag aan de schil zichtbaar maken.
Leven vanuit het klokhuis
Kerk zijn is sacrament zijn, is God zichtbaar maken, Hem laten gebeuren. We vieren dat in woorden, tekenen en symbolen. We laten Hem die heet 'Ik zal er zijn voor U', meer en meer de kern, het klokhuis van ons leven worden. En we laten dat klokhuis meeklinken in onze Manier van spreken en handelen, van omgaan met mensen, van ten dienste staan van de wereld.
(Carlos Desoete)