DE KERSTMUS








Heel lang geleden kwam de engel Gabriël bij Maria om haar te vertellen, dat zij de moeder van Jezus zou worden. Terwijl de engel bij Maria was, zat daar heel toevallig een musje op de vensterbank. Ze hadden hem niet gezien. Eigenlijk was hij ook liever meteen weggevlogen. Maar toen hij hoorde wat de engel zei, begon zijn mussenhartje sneller te kloppen. Hij bleef stokstijf zitten, tot de engel verdwenen was. Het musje begreep eerst nog niet zo goed, wat hij had meegemaakt. Maar ineens snapte hij het. Hij was zo blij, dat hij snel wegvloog om het grote nieuws aan iedereen te vertellen. Hij vloog door de straten van Nazareth. Hij ging op de markt op een mand zitten. Daarin had de marktkoopvrouw koren gedaan om te verkopen. De mensen maakten daar meel van om brood te bakken. “Zal ik je eens iets vertellen?” Tjilpte de mus. Hij hipte opgewonden van zijn ene op zijn andere poot. Maar de marktkoopvrouw zei boos:“Die mussen worden steeds lastiger!“ Ze joeg hem weg, zonder dat ze naar hem luisterde. De mus vloog verder. Hij kwam op een plein met grote bomen. In de schaduw stonden mannen samen te praten. Anderen zaten op een bankje rustig na te denken. “Ik heb iets bijzonders te vertellen,”kwinkeleerde de mus. Hij zat op een kleine tak vlak boven de mannen. Ze keken even omhoog naar het fluitende musje en praatten toen weer gewoon samen verder. Niemand lette er meer op hem. Ze merkten niet eens, dat hij daar maar opgewonden heen en weer bleef hippen. De mus schudde teleurgesteld zijn kopje en vloog weer weg. Hij ging nu helemaal naar de hoofdstad van het land. Hij vloog door een groot raam het paleis van de koning binnen. Hij streek neer op de gouden troon, vlak naast de arm van de koning. “Jezus wordt geboren!” Kwetterde de mus vrolijk. “Hij zal alle mensen blij en gelukkig maken.” ”Jaag die brutale mus onmiddellijk weg!” Schreeuwde de koning kwaad. Hij had helemaal niet verstaan wat de mus had gezegd. De dienaren van de koning en de paleiswachten renden naar de vogel toe om hem te vangen. Maar het musje bleef niet zitten wachten tot ze hem te pakken kregen. Hij vloog verschrikt weg. Het grote raam was dicht. Hij ging snel naar de ramen in de kamers ernaast. De paleiswachten renden achter hem aan en riepen:“Grijp hem! Houd hem tegen!” In het achterste kamertje stond gelukkig een raam op een kiertje open. Razendsnel vloog het musje daar naartoe en net op tijd was hij buiten. De dienaren konden hem niet meer te pakken krijgen! “Gered! Ik ben gered!” Juichte hij dolgelukkig. Hij buitelde door de blauwe lucht. Hij vloog verder en verder, totdat hij onder zich een heleboel kinderen zag. Ze speelden met elkaar. Ze maakten veel plezier in de pasgevallen sneeuw.“De kinderen zullen me wel verstaan.”Riep het musje. Hij vloog naar ze toe. En jawel hoor! De kinderen hadden nog maar net de mus gezien of ze kwamen al allemaal om hem heen staan. Ze keken hem vrolijk lachend aan.“Ik wil jullie een geheim vertellen.”Kwinkeleerde het musje blij. Hij hield zijn kopje een beetje schuin. “Ach, wat ziet hij er lief uit.”Riepen de kinderen. Ze vonden het leuk, dat hij zomaar op de grond bleef zitten en helemaal niet bang voor ze was.“Jezus wordt geboren.”Juichte het musje. Hij deed zijn best om de woorden zo duidelijk mogelijk te kwetteren.“Hoor eens hoe mooi hij tjilpt” zeiden de kinderen tegen elkaar. “Het lijkt wel of hij ons iets wil vertellen”. “Of misschien heeft hij honger,” meende een meisje. Ze gooide een paar broodkruimels naar hem toe. Maar de mus had helemaal geen honger. Hij wilde alleen heel graag de kinderen over Jezus vertellen. Opgewonden klapwiekte hij met zijn vleugels. “Jammer, dat we hem niet kunnen verstaan,” zei een jongen. Hij wilde het musje aaien. Toen merkte de mus dat ook de kinderen hem niet begrepen. Weer vloog hij weg. Steeds verder de wijde wereld in. Hij wilde zo graag zijn geheim aan iemand vertellen. Hij was verdrietig, omdat de mensen hem niet konden verstaan. Ze joegen hem allemaal weg. Ook de kinderen snapten zijn vogeltaal niet. Zo kwam het, dat de grote mensen en de kinderen niet wisten, wat er in Betlehem zou gebeuren. Toen Maria en Jozef daar aankwamen, had ook niemand plaats voor hen. Nee, helemaal niemand in Betlehem wist ook maar iets van wat er die nacht in de stal zou gebeuren. Alleen het musje! Dat riep alle andere mussen bij elkaar en vertelde hen het grote nieuws. Wat was de mus gelukkig, dat ze allemaal naar hem wilden luisteren. Hij merkte dat ze net zo blij waren als hij. Toen vlogen de mussen weg om alle dieren te vertellen wat ze gehoord hadden en waarom ze zo blij waren. Al heel snel wisten alle dieren het. De uilen, de raven en de zwaluwen. De schapen en de geiten. De ezel en de os bij de kribbe in de stal. Zo verspreidde zich het blijde nieuws onder alle dieren. En ze wachtten allemaal vol ongeduld op de dag dat Jezus geboren zou worden. Wat was de ezel blij, toen hij Maria met het kind in haar buik, van Nazareth naar Betlehem mocht dragen. En dan de os! Die was zo gelukkig, toen hij de kleine Jezus in de kribbe zag liggen. De schapen blaatten vrolijk, toen de engelen de boodschap aan de herders kwamen brengen. De mensen liepen naar de stal om Jezus te gaan opzoeken. Maar de dieren waren daar al lang en liepen vrolijk om Jezus heen. Boven op het dak van de stal zat het musje, dat alles het eerst gehoord had. Samen met de andere mussen zat hij daar. Hij tjilpte en kwetterde en zong zijn lied het hardst van allemaal. Hij voelde zich overgelukkig! Nu weet je ook, waarom er vaak mussen in de kerstboom zitten. Van hout, of van glas of klei. Straks krijgen jullie ook zo’n musje mee naar huis. Dan kunnen jullie ieder jaar net zo blij zijn als het musje en samen met hem het kerstfeest vieren!
Naar een kerstverhaal van Rolf Krenzer.