Toespraak in de St.-Maartenskerk in Kortrijk op vrijdag 26 september 2008 door Huub Oosterhuis
Veel mensen van christelijke huize valt het moeilijk om aan zichzelf te bekennen dat 'het geloof' hen niets meer zegt en volstrekt geen richting geeft aan hun vaak onvervulde en verwarde leven. En tegelijkertijd voelen zij een grote behoefte aan verbondenheid, en een grote energie tot overgave en inzet; overgave aan iets dat groter is dan zijzelf; zij willen horen bij ... en geloven in.
Geloven is een lastig woord. Voor de een klinkt het naar grote stelligheid, hogere kennis, voor de ander naar simpelheid, vage gevoelens en mooie muziek, kippenvelmuziek.
Geloven betekent oorspronkelijk: vertrouwen schenken, krediet geven en goede hoop hebben; wat het betekent tussen mensen in vriendschap, in liefde: ik houd van je, ik vertrouw me aan je toe, ik geloof in ons. Geloof en liefde zijn stam- en geestverwante woorden, in het Engels is dat nog hoorbaar: I believe, I love. Een grote liefde is een groot geloof, en een grote opluchting – alsof je ontkomen bent aan een eenzame afgrond; alsof je uit ballingschap bevrijd bent. En zo is het ook.
Ik zie mensen die willen horen bij ... en geloven in ...
ik zie hoe ze zich inzetten en geven voor meer, veel meer dan hun eigenbelang. Ze zijn van een oud geloof afgevallen, dat oude wijd verbreide geloof in Blind Noodlot en Stom Toeval, in goden en machten, de markt en de beurs – ze geloven niet meer dat deze wereld vol methodieken van uitbuiting en vernedering en pijn de enig mogelijke wereld is. Ze geloven niet meer dat ook maar iets in deze wereld onwrikbaar en natuurnoodzakelijk is, kindersterfte, aids, het bittere onrecht van de armoede en dus, als gevolg daarvan, het bittere geweld. Zij zijn van plan een andere wereld te maken, stukje bij beetje, dag na dag; zij trekken een spoor van andere, nieuwe wereld door deze oude heen. Ik zie hun grote liefde, en ik geloof mijn ogen.
De bijbel heeft mij de 'onverzoenlijke hoop' geleerd, hoop die zich niet verzoent met de feiten; die tegen de feiten indenkt en invoelt – tegen het gelijk en het laatste woord van de machtigen, tegen de regimes, tegen de heersende economische orde. Moet het maar blijven zoals het is: 'bestaande orde', deze oude wereld? Dat te denken is cynisme. De bijbelse godsdienst is een doorlopend geding, een dagelijks kort geding tegen dat cynisme. De aanklager van dat cynische systeem en de advocaat van de slachtoffers is in de bijbel God zelf.
De bijbel is ook een leerschool voor utopische verbeelding. Profetische dichters, Jesaja, Micha, wagen het in hun liederen een nieuwe wereld op te roepen waar geen kinderen zullen sterven.
Oude mensen maken hun dagen vol
en jonge mensen zullen daar
pas op hun honderdste sterven.
Wij zullen niet voor de leegte zwoegen,
geen kinderen baren voor de verschrikking.
De wolf en het lam zullen weiden tesamen.
Wij leren de oorlog af.
Dit toekomstvisioen, het stoutmoedigste van heel de wereldgeschiedenis, komt uit de mond van God-zelf-ik-zal.
Ik heb besloten dit visioen ernstig te nemen, en met mezelf afgesproken naar de vervulling ervan te verlangen. En ik heb ook met mezelf afgesproken te vertrouwen op het goede dat overal, gedaan wordt: de toewijding waarmee mensen voor elkaar zorgen, naar elkaar luisteren, wonden verbinden - de ongekende onschatbare ontferming en solidariteit die mensen elkaar betonen; dat ze elkaar niet kwetsen, niet knechten, niet martelen - dat komt ook voor.
Anders was deze wereld-aarde-hemel toch allang in de afgrond gedonderd.
Waarom zouden wij zo'n afspraak met onszelf en met zoveel mogelijk anderen, niet jaarlijks vernieuwen, op onze geboortedag, op de Avond voor Kerstmis, op het Suikerfeest, op Grote Verzoendag - op 26 september in de kerk van Sint Maarten in Kortrijk - plaatsen en dagen genoeg.