Essay: Door de materie moet men gaan
door Pé Vermeersch, verschenen in 'Orgelkunst' juni 2008
Vooraleer ik aan de orgelmuziek zelf denk, en gaandeweg de meesters van mindere goden heb leren onderscheiden, hou ik het instrument voor ogen. Dat majesteuze lichaam, dat koninginnestuk dat voor mij met al zijn mogelijkheden haast als een symbool voor mijn dansonderzoek is geworden.
Mijn eerste fysieke ervaring met het orgel was in de Nôtre-Dame te Parijs, op toeristenbezoek. Verscholen achter een pilaar stond ik, de tranen rolden over mijn wangen. De overdonderende klanken en trillingen verlamden me volledig. Dat is lang geleden. Nu stuwt het orgel mij, ik moet mijn best doen om niet te dansen, niet te bewegen. Maar er is natuurlijk ook het één en het ander gebeurd. Men zegt vaak dat men eerst ver van huis moet gaan om wat dichtbij is te leren appreciëren. Pas door lange tijd in Japan dans te studeren heb ik het orgel herontdekt. Dans, orgel én kerk worden doorgaans niet met elkaar in verband gebracht. Toch schuilen in hun ontmoeting veel vernieuwende mogelijkheden.
Lang leek een kerk me als een grote duistere spin die het volk in haar zwangere buik gevangen hield en die met haar spitsige toren de wolken naar God afloerde. Als een goeie student in dualistische filosofie ervoer ik de oosterse tempels anders. Daar leek me de hemelse energie in een zacht glooiende beweging der daken naar de aarde teruggebracht te worden. Deze al te eenvoudige architecturale ervaring onthult iets van de basisenergieën van dans. De spitse torens zijn de ragfijne benen van de balletdansers, hoog op hun tippen, hangend in de lucht, reikend naar god, hyperventilerend door het te veel inademen en door te weinig lichaam. In vele andere danstradities is dans geen ijle vlucht van het lichaam, maar een bewegende materie vol zacht uitademen.
In Japan heb ik de materialiteit en de complexiteit in de dans ontdekt. Ik heb geleerd hoe fysieke tijd belangrijker is dan mentale tijd. Het heeft me bij een ervaringsgerichte dans gebracht, en me ver verwijderd van concept art in hedendaagse dans. Hoeveel dans er ook is in ons Vlaamse landschap, er is vreemd genoeg weinig diepe lichamelijkheid. Behalve het doorwroeten van én de overlevering aan de materie, mijn lichaam, heb ik geleerd om complex en onvoorspelbaar te durven zijn. Weg met het rechtlijnig- mechanische, weg met het voorspelbare, leve de contrapunten, de onderstroom, de tegenspraak. Doordat ik als danseres met deze twee elementen ben leren omgaan heb ik ze ook als eigenschappen van het orgel kunnen ontdekken.
In weinig andere 'realiteiten', lichamen, kunstobjecten --behalve natuurlijk in de natuur-- vind ik diezelfde evidentie om complex te zijn. Het orgel is niet of/of. Het orgel is en/en. Met het orgel lijkt het alsof elke muzikale lijn steeds kan barsten, steeds kan keren. Het orgel lijkt nooit een mogelijkheid uit te sluiten en dat is weldoende wijsheid om tot verrijking van nieuwe dansvocabularia te komen. Ook als dansers mogen we ons niet beperken tot één klank, één stijl, één register… Het orgel is ook groots door zijn ‘lichamelijkheid’. De organist lijkt door de klanken te ploegen om tot een religieuze transcendentie te komen. Beetje per beetje begrijp ik dat er voor lichamelijkheid wel degelijk een plaats kan zijn in de kerk. Diepgaande spiritualiteit heeft dat zelfs nodig. Hoezeer ik als tiener en twintiger de kerk verafschuwde, zozeer is deze ruimte mij nu lief, niet in het minst omwille van de centrale plaats die ze schenkt aan een dergelijk instrument. Ik kan slechts hopen dat het kerkelijk instituut ook de lichamelijkheid van de danser niet schuwt, en kan zien hoe ook in deze materialiteit paradoxale durf tot overgave kàn schuilen.
Pé Vermeersch, Kortrijk 2008