HOOR HET BLOED VAN UW BROER

Salvador de Bahia (Brazilië), 31 augustus 2000. Fernando, een jongen van 14 jaar uit onze wijk en sinds 14 dagen spoorloos, is gevonden. Aan de kant van de weg. Dood. Vermoord. Fernando woonde te Bem te Vi, de wijk die ook wel eens ‘de kleine hel’ genoemd wordt. Zijn vader was een goede metser, een harde werker. Hij hielp mee aan de bouw van de grote kerk te Campinas. Maar in de laatste 10 jaar heeft hij geen officieel werk gehad en leeft hij dus van zwartwerk. Tegen zijn zin houdt zijn vrouw Helena thuis een bar… Hijzelf is beginnen drinken… Aan de bar worden soms drugs verhandeld. Kinderen die dan naast de open riool zitten worden soms gebruikt om kleine pakketjes over te brengen. ‘Vliegtuig’ worden ze genoemd. Soms weten de kinderen niet eens wat ze doen, soms wel. Er wordt nogal wat gekletst aan die bar, en ook die dingen worden dan – al dan niet gewenst- opgevangen door kinderoortjes. In die sfeer groeide Fernando op. Hij werd door ons opgenomen in de werking van de straatkinderenpastoraal en , ik mag het zeggen, hij was een ‘zwaar manneke’. Misschien had hij wel teveel gehoord in de bar van zijn moeder. Op een dag werd hij opgepakt door mannen die zich voordeden als politie. De afloop van het verhaal kennen jullie…
Salvador, 5 september 2000. Sinds 31 augustus zijn door allerlei ‘uitroeiingsgroepen’, meestal met politiemannnen als lid, reeds 4 jongeren doodgeschoten, ofte één per dag. Daarom hebben we met de straatkinderenpastraal en met akkoord van het bisdom een ‘nota aan de pers’ uitgegeven:
‘Hoor het bloed van uw broer roept uit de grond tot mij” (Genesis 4,10)
Dit is de kreet uit de mond van God nadat Kain zijn broer Abel gedood heeft.
Dat is ook de kreet van het volk van onze Salvadoraanse wijk, van de familie, van de moeder en de broers van Fernando.
Een jongere werd het leven ontnomen en het bloed vergoten op de grond van onze gemeenschap roept niet om wraak, wel om gerechtigheid.
En vanuit dit lijdend volk stijgt de schreeuw op naar God.
En ik vraag me af, is er wel iemand, buiten God die hen beluistert.
Dit lijdend volk dat in zijn bestaan niet gerespecteerd wordt, zijn jongeren zonder enige vorm van steun.
Dikwijls overgeleverd aan de drugs omdat er geen anderre keuze van overleven is.
Werkloos, reeds uitgesloten vanaf de geboorte.
Arm en zonder te voldoen aan de minimum voorwaarden voor enige kwaliteit van leven.
Op de begrafenis van Fernando heb ik een gekwetst volk gezien.
Ik zag aan hun kledij en gezichten de armoede van deze gemeenschappen,
maar las er ook hun kreet van het bloed in de grond in:
ik wil leven, ik wil waardigheid.
Ik heb adolescenten gezien die met veel tederheid het hoofd van Fernando in de kist streelden.
Ik zag ze met natte ogen, met daarin de vraag, de kreet van het bloed in de toppen van hun vingers:
ik wil leven, ik wil waardigheid.
Ik heb de vrouw gezien van wie de man een tijdje terug werd vermoord in haar eigen huis.
Ze huilde en ik hoorde in haar geween de kreet van het bloed in de grond:
ik wil leven, ik wil waardigheid.
Ik heb de protest spandoeken gezien, armoedig door hun gebrek aan materiaal, arm aan woorden maar met de kreet van het bloed in de grond:
we willen leven.
Ik heb de witte bloemen gezien in de handen van tienermeisjes en –jongens, bloemen met een reuk van het bloed in de grond:
ik wil leven, ik wil waardigheid.
Ik heb een lijdend volk gezien dat de kist droeg en tot in het zingen ‘arm’ was.
Vals en zwak, maar ze wilden zingen en zingen en op deze wijze stem geven aan het vergoten bloed in de grond van moeder aarde:
we willen leven, we willen gerechtigheid.
Ik heb het applaus gehoord, wanneer de kist in het graf werd gezet en ik heb het begrepen:
de God van het leven heeft de schreeuw van zijn volk gehoord.
En ik vraag me af of ook zij die verantwoordelijk zijn in naam van de maatschappij voor opvoeding, gezondheid, werk,
eerlijke verdeling van inkomens, veiligheid en waardigheid van elke mens deze kreet van een lijdend en uitgestoten volk horen.
Het gaat hier om een horen dat dwingt tot handelen.
Ik roep hierbij allen die verantwoordelijkheid dragen op om van de troon af te dalen, zich aan de kant van het volk-
en vooral van de uitgeslotenen te plaatsen om zo een waardig leven toe te keren aan allen