![]() |
Zondag, 25 september laatst, vond in de Kortrijkse Sint-Maartenskerk om 16.30 uur de jaarlijkse orgelapotheose plaats. Aan het einde van een reeks van zes bespelingen gekomen, is het gebruikelijk om het orgel van feestelijk gezelschap te voorzien. Daarvoor mocht een beroep worden gedaan op de excellente dwarsfluitiste Ilse Vromans, de tenor Roel Vansevenant en het jubilerende koor Laudate Dominum onder leiding van Walter Deroo. Voor een gewaardeerde dansbijdrage zorgde de balletklas van de academie van Waregem onder leiding van Veerle Vanhuyse. Twee choreografieën boden sierlijke lichaamstaal bij een Vivaldibewerking van Bachs hand en een romantisch hoogtepunt uit het oeuvre van César Franck. De Kortrijkse gastdichter en haiku-expert Diederik De Beir voerde kunstig het woord. Het programma was bewust opgevat als een tocht gaande van passie naar Pasen. De verklanking van het aan wijlen deken Marc Gesquière opgedragen Egidiuslied en het Stabat Mater, twee composities van Dirk Blockeel, vertelde iets over de nachtzijde van het bestaan. Het werk van Benjamin Luyckx, gebaseerd op de gregoriaanse gezangen van Pasen, deed de stilte van paaszaterdag wijken voor een jubelend alleluja! |
| Requiem per flauto solo, 1956 – Kazuo Fukushima (° 1930) Deze in Tokio geboren Japanner begon zijn muzikale loopbaan als autodidact. In 1953 sloot hij zich aan bij de o.a. door Toru Takemitsu gestichte experimentele groep Jikken Kobo. Anno 1964 werd hij docent aan het conservatorium van Tokio. In zijn werk draagt hij speelelementen van de shakuhachi (de ongeveer 55 centimeter lange, verticaal bespeelde Japanse bamboefluit) over op de dwarsfluit. Uit de lijst van zijn composities blijkt een duidelijke voorkeur voor de dwarsfluit. Zijn geesteskinderen verenigen westerse stromingen met Japanse traditionale elementen uit het no-theater en het Gagaku (de oudste traditionele kunst van Japan bestaande uit langzaam uitgevoerde liederen gecombineerd met dans en ceremonieel). Het vandaag gespeelde stuk is serieel opgevat in die zin dat eenzelfde reeks van noten verschillende keren aan bod komt. De organisatie van toonhoogte, dynamiek en ritme verzekeren de variatie. De partituur vermeldt nog dat volgens het oude Japanse ‘geloof’ (het zenboeddhisme) het ijle geluid van de fluit kan worden waargenomen door de overledenen. |
| Egidius, lied voor tenor, dwarsfluit en klavier (voorjaar 2011)
Dirk Blockeel (°1955) De compositie ontstond naar aanleiding van een vraag van zanger Roel en is opgedragen aan de overleden deken Marc Gesquière. Roel creëerde het lied in het voorjaar bij zijn Leuvense zangexamen. Vandaag beleven wij een versie met een toegevoegde dwarsfluitpartij. De compositie beent de tekst (zie blz. ) van dit bekendste Middelnederlandse gedicht uit de 14de eeuw (misschien van Jan Moritoen) zo goed mogelijk uit. In een context van pijn om het verlies zijn wel degelijk enkele positieve elementen aan te wijzen. De gestorven vriend is in de troon verheven en deelt in de vreugde. De oude regels worden muzikaal bedacht met een motto dat naar het verleden van bijvoorbeeld Dufay verwijst: een archaïsche Bourgondische cadens scheidt de verschillende onderdelen. Mi lanct na di, gheselle mijn. Du coors die doot, du liets mi tleven! Dat was gheselscap goet ende fijn, Het sceen teen moeste ghestorven sijn. Nu bestu in den troon verheven, Claerre dan der zonnen scijn: Alle vruecht es di ghegheven. Nu bidt vor mi, ic moet noch sneven Ende in de weerelt liden pijn. Verware mijn stede di beneven: Ic moet noch zinghen een liedekijn; Nochtan moet emmer ghestorven sijn. |
![]() |
Stabat Mater ‘Vrouw, ziehier uw zoon’, boven hout vandaan trilt in u door. Onweerstaanbaar uw hand de lieve leerling, rein en wijs, wijst aan . Donkerrood de aarde uw bovenkleed brandt. Neurie Stabat Mater op Moederdag, noem oorlogsfront, wrak of bed zonder schroom. Spreek uit die naam, breng bloemen, bid, zeg ‘ach’, diep op de foto van die dode zoon. Zwaard zevenmaal uw hart van smart doorpriemt uw warme wang kristallen tranen rolt uw ja in wee gebaard de Mensenvriend. Aan uw zijde moet ik huilen, moeder, blauw stoot mijn voet de grafsteen met u mee, aan uw zijde uw zoon nu staat, moeder. Diederik De Beir | Vader Zeewind blies je haren blond. Knaap Chopin te wenen lag. Hazegras ravotgezond. Blauwvoet vloog, Spartaans je lach. Lettertaal streek leraarsnaar. Antwerps schoon je hart omwond. Veldbloempluk voor engelhaar. Verhaal op dreef, tafel rond. Met je fiets naar Duitsland reed. Boomstamvast je wang gekust. Bach en Grieg door vingers gleed. Ruil nu stok voor moeders arm, kerstroos immer zijdezacht. Speel, dicht het uit: frank en warm. |
| Stabat mater dolorosa juxta crucem lacrimosa, dum pendebat Filius. Cujus animam gementem, contristatam en dolentem pertransivit gladius. O quam tristis et afflicta fuit illa benedicta mater Unigeniti! Quae maerebat et dolebat pia mater, dum videbat nati poenas incliti. Quis est homo qui non fleret, matrem Christi si videret in tanto supplicio? Quis non posset contristari, piam matrem contemplari dolentem cum Filio? Quando corpus morietur, fac ut animae donetur paradisi Gloria. | Naast het kruis, met schreiende ogen stond de moeder, diep bewogen toen de Zoon te sterven hing. En haar door het zuchtend harte, overstelpt van wee en smarten, ’t zevenvoudig slagzwaard ging. O hoe droef, hoe vol van rouwe was die zegenrijkste vrouwe, moeder van Gods ene Zoon! Ach, hoe streed zij, hoe kreet zij, en wat folteringen leed zij, bij ’t aanschouwen van die hoon. Wie, die hier niet schreien zoude, als hij ’t grievend leed aanschouwde, dat Maria’s ziel verscheurt? Wie kan zonder mee te wenen, Christus’ moeder horen stenen, nu zij met haar Zoon hier treurt? En als ’t lichaam dan zal sterven, doe mijn ziel de glorie erven van het hemels paradijs. |
Na een inleiding van het orgel stelt het blaasinstrument het uit drie zinsgeledingen bestaande gregoriaanse thema voor het orgel (tongwerk) stelt het thema voor in tenorligging, het orgel (tongwerk sterker) stelt het thema in basligging voor, de fluit speelt het thema voor het eerst lichtelijk ritmisch gevarieerd, thema in de fluit melodisch versierd, orgeltrio met het versierde thema als solobovenstem en de fluit stelt het gregoriaans voor zoals in het begin, maar nu wel een octaaf hoger. |
|
Eerste deel uit de triosonate in Es, BWV 525 – J.S. Bach Bach schreef zijn triosonaten voor orgel (of voor klavecimbel met pedaal) ten behoeve van de muzikale opvoeding van zijn oudste zoon Friedemann Bach. Daarbij moet de organist het gezelschap van drie onafhankelijke stemmen voor lief nemen: rechterhand en linkerhand (normaal gesproken elk een apart klavier bespelend) en de pedaalpartij. Dit prachtige driestemmige weefsel werd vaak voor verschillende bezettingen ‘gearrangeerd’. Vandaag horen we een naar G getransponeerde versie voor fluit en (tweestemmig) klavier. |
| Messe basse (2010-2011) – Benjamin Luyckx (°1986) Deze compositie ontstond als niet onbelangrijk onderdeel van Luyckx’ thesis over de Messe basse, een zogenaamd stille viering waarin door de mensen niet gezongen wordt, maar waarin het orgel des te meer als verlengstuk van de lezingen en de liturgie fungeert. Van oudsher, zo noteerde de componist in zijn eindwerk, bestaat er een zeker spanningsveld tussen altaar (rite, liturgie, verkondiging) en doksaal (schoonheid, kunst). Beide gebieden kunnen elkaar echter wederzijds bevruchten. We belichten hieronder de verschillende delen van een werk dat 24 karaat liturgisch is opgevat. Omdat ze gebaseerd zijn op het gregoriaanse proprium van Pasen worden ze voorafgegaan door het bijbehorende gezang. De intrede heeft als thema de introïtus Resurrexi, et adhuc tecum sum (verrezen ben ik, en nog altijd ben ik bij u), een frase uit psalm 139. De muziek vertolkt nog geen uitbundige feestvreugde maar is eerder ingetogen zoals de kleine vlam van de paaskaars ontstoken in de nacht. De soms archaïsche samenklanken verwijzen naar het mysterie van de verrijzenis. Afgezien van twee maten klinkt het hele stuk door een e-pedaalnoot die van het blijvende vertrouwen in God getuigt. Het kruis van Goede Vrijdag is niet het einde; God laat ons niet verweesd achter. De communio is als een meditatie opgevat. Op het derde klavier (de Fransen noemen dit ‘le récit’) baadt de Voix céleste in een poëzie van harmonieën. Een fluitregister vertolkt de eerste melodie, een zoekende stijgende lijn die de overwegingen van de mensen opwaarts wil stuwen. Na een hoogtepunt keert de muziek terug naar de stilte van het begin, deze keer gedragen door een diepe kwint in het pedaal. Twee fragmenten komen nu uit de gregoriaanse communio Pascha nostrum (Christus, ons paaslam, is geslacht). Het postludium verwijst naar Haec dies, dit is de dag die de Heer heeft gemaakt. Onregelmatige maatsoorten geven het geheel een levendig karakter. In dit perpetuum mobile klinkt voortdurend ergens het gregoriaanse thema uit het graduale. Als kroonstuk volgt een toccata die de feestvreugde van Pasen uitzingt. In het pedaal klinkt nu het thema in verbreding op. |
|
Concerto in G, BWV 973 (met bijdrage van de balletklas) – J.S. Bach
Delen: Onbetiteld (snel), Largo en Allegro In zijn Weimartijd bewerkte Bach tal van Italiaanse (orkest)concerti van meesters als Vivaldi, Marcello en Albinoni voor klavier. In die tijd hadden arrangementen een andere status als tegenwoordig: ze werden als zelfstandig en volwaardig werk beschouwd, de notie ‘plagiaat’ bestond niet echt, integendeel: overname gold zelfs als eerbetoon! Bach zette de modellen letterlijk en figuurlijk naar zijn geniale hand; veranderingen of retouches hebben door de bank speeltechnische redenen. Deze stukken komen dus in de buurt van wat men in het Duits als ‘Klavierauszug’ aanduidt. Het nu gespeelde concerto is gebaseerd op een vioolconcerto van Vivaldi (opus 2, nr. 2). Onderscheid tussen tutti (het volledige orkest) en concertino (solistische passages) wordt in de hoekdelen duidelijk gemaakt door de registratie en door de schrijfwijze zelf (van veel- naar tweestemmigheid). |
| Allegro animato uit de sonate voor fluit en orgel (1977) –
Hermann Schroeder (1904-1984) Schroeder, van 1930 tot 1981 professor aan de Musikhochschule van Keulen, is ongetwijfeld een van de meest uitnemende componisten op het gebied van de 20ste-eeuwse katholieke kerkmuziek. Hij schreef meer dan 100 orgelwerken en daarbij nog eens 16 orgelkamermuziekwerken (orgel met instrument(en)!). Zijn werk staat zeker niet los van de Bachpolyfonie en toont een voorliefde voor contrapuntische werkwijzen. Geanimeerde passages met grillige ritmes en vaak tegentellen in de orgelpedaalpartij wisselen af met verstilde passages (Poco meno) met langere notenwaarden. Een veelheid van technieken valt te beluisteren: trillers en staccatowaarden bij de fluit, kwartparallellen in het orgel die een archaïsche sfeer veroorzaken (Schroeder schijnt een patent op die werkwijze te hebben), kleine repeterende cellen, chromatische passages en elkaar snel opvolgende imitaties tussen beide instrumenten. Noot: De volledige sonate weerklonk hier jaren geleden toen de dwarsfluitiste Brunhild Fischer uit Leipzig hier te gast was! |
|
Pari intervallo, 1976 (met toegevoegde dwarsfluitpartij) – Arvo Pärt (°1935) De in Estland geboren minimalistische componist vestigde zich in 1980 in het westen en verruilde in 1982 Wenen voor Berlijn. Pärt is een van de puurste vertegenwoordigers van de ‘neue Einfachheit’, een strekking waarvoor hij zelf de term ‘Tintinnabuli-stijl’ (verwijzend naar klokjes en klokken) heeft gesmeed. Pärt biedt ons hier een consequent vierstemmige meditatieve perpetuumcompositie aan. Alt- en basstem bewegen zich in parallelle deciemen (zie de ‘gelijke intervallen’ uit de titel) traag voort terwijl de sopraan- en de tenorstem een ritmisch weefwerk verzorgen. De ondertitel (Anlä?lich des Todes von M.K., een overleden vriend van de componist) verklaart de elegische sfeer. De droeve en donkere es-tonaliteit van dat moderato past goed bij deze requiemmuziek. Het toegevoegde dwarsfluitcommentaar is lichtelijk variatief en diminutief uitgewerkt. De laatste term wijst op een zekere verheviging van het ritme: van één noot, over twee en drie noten naar een volledige opvulling ongeveer ter hoogte van de gulden snede (het hoogtepunt). Daarop volgt dan afbouw. Geboorte en dood raken elkaar aan. Het voorwoord van de Universal-uitgave omschrijft het 74-matige werk als een koraalvoorspel waarbij de woorden “wir leben oder sterben, so sind wir des Herrn’ (Rom. 14, 8) als motto zouden kunnen dienen. |
|
Prélude uit het opus 18, 3 (met dansbijdrage) – César Franck (1822-1890) Het gaat hier om het eerste deel van het aan Saint-Saëns opgedragen drieluik Prélude, fugue et variation, een van de bekendste werken van de Parijse meester met een werkelijk meeslepende melodie. Deze triptiek maakt deel uit van de Six pièces (1860-1862). Toen Liszt deze parel had beluisterd, merkte hij op: “Dit poëma heeft een voorbehouden plaats: we treffen er reeds sporen van de grote variatiekunst van de meester.” |
|
Koraalfuga over Meine Seele erhebt den Herrn, BWV 733 – J.S. Bach Dit werk dat over twee thema’s beschikt (het uit 8 noten bestaande thema van het koraal in eerder lange notenwaarden en een vluggere, heel vaak voorkomende figuur) en als fuga is uitgewerkt, draagt sopra il Magnificat als ondertitel. Als bekroning krijgen we na 97 maten de twee zinnen van dit koraal als cantus firmus (lange notenwaarden) in het pedaal. Op dat ogenblik is de compositie vijfstemmig geworden |
