![]() Boeddhistische monnik |
Soms, als gij zwijgt en uit het venster schouwt, grijpt mij uw schoonheid aan, een wanhoop door geen troost te blussen, niet door te spreken, niet door te kussen, even groot als mijn bestaan, en even oud. Dat ik u zien moet en u niet kan zijn, van u gescheiden door mijn eigen ogen, dat gij daar zit, zo buiten mij geboren, het doet als een geboorte pijn. Wanneer gij zwijgt en uit het venster ziet komt soms de wind en hij beweegt uw haren, die aan de boorden van uw voorhoofd staan als aan een stilstaand water oeverriet. Soms komt een wolk de hemel langs gevaren, ik zie de schaduwen over uw ogen gaan. Dan is het mij alsof gij eeuwig zijt, of ik maar even bij u leven mag, alsof mijn tijdelijkheid mij vn u scheidt, dan wendt uw hoofd zich om, ik zie uw lach. Maria Vasalis |
| Jesaja 49 8 Dit zegt de HEER: In het uur van mijn genade geef ik je antwoord, op de dag van de redding zal ik je helpen. Ik zal je behoeden, ik neem je in dienst voor mijn verbond met de mensen, om het land weer op te richten, om het verlaten erfgoed in eigendom terug te geven, 9 om tegen gevangenen te zeggen: ‘Ga in vrijheid!’ en tegen wie in het duister verblijft: ‘Kom tevoorschijn!’ Langs wegen zullen zij weiden, op iedere kale heuvel vinden ze weidegrond. 10 Ze zullen dorst noch honger lijden, de zinderende hitte zal hen niet kwellen en de zon zal hen niet steken, want hij die zich over hen ontfermt, zal hen leiden en hen naar waterbronnen voeren. 11 Ik effen al mijn bergen tot een weg, ik zal mijn paden plaveien. 12 Kijk! Zij daar komen van ver, en kijk, zij uit het noorden, en uit het westen, en zij uit het land van Syene. 13 Juich, hemel! Jubel, aarde! Bergen, breek uit in gejuich! De HEER heeft zijn volk getroost, hij heeft zich over de armen ontfermd. Sions klachten door de HEER weerlegd 14 Sion zegt: ‘De HEER heeft mij verlaten, mijn Heer is mij vergeten.’ 15 Maar kan een vrouw haar zuigeling vergeten of harteloos zijn tegen het kind dat zij droeg? Zelfs al zou zij het vergeten, ik vergeet jou nooit. |
Johannes 5,1-3a.5-16 1 Daarna was er een Joods feest, en Jezus ging naar Jeruzalem. 2 In Jeruzalem is bij de Schaapspoort een bad met vijf zuilengangen dat in het Hebreeuws Betzata heet. 3 Daar lag een groot aantal zieken, blinden, kreupelen en misvormden. 5 Er was ook iemand bij die al achtendertig jaar ziek was. 6 Jezus zag hem liggen; hij wist hoe lang hij al ziek was en zei tegen hem: ‘Wilt u gezond worden?’ 7 De zieke antwoordde: ‘Heer, als het water gaat bewegen is er niemand om mij erin te helpen; ik probeer het wel, maar altijd is een ander al vóór mij in het water.’ 8 Jezus zei: ‘Sta op, pak uw mat op en loop.’ 9 En meteen werd de man gezond: hij pakte zijn slaapmat op en liep. Nu was het die dag sabbat. 10 De Joden zeiden dan ook tegen de man die genezen was: ‘Het is sabbat, het is niet toegestaan een slaapmat te dragen!’ 11 Maar hij zei tegen hen: ‘Degene die mij genezen heeft, zei tegen mij: “Pak uw mat op en loop.”’ 12 ‘Wie zei dat tegen u?’ vroegen ze. 13 Maar de man die genezen was kon niet zeggen wie het was, want Jezus was al verdwenen omdat daar zoveel mensen waren. 14 Later kwam Jezus hem tegen in de tempel en toen zei hij tegen hem: ‘U bent nu gezond; zondig daarom niet meer, anders zal u iets ergers overkomen.’ 15 De man ging aan de Joden vertellen dat het Jezus was die hem gezond gemaakt had. 16 Het was omdat Jezus zulke dingen deed op sabbat, dat de Joden tegen hem optraden. |