![]() Emile Claus het meer |
Heer, dag in dag uit ontvangen wij van U het bestaan. Help ons deze dag door te brengen in uw dienst. Geef ons een aandachtig hart, dat niet voorbijziet aan de kansen die Gij ons ook vandaag wilt geven. Houd in ons het geloof levend, dat wij meebouwen aan een betere wereld waarin wij gelukkig mogen zijn. Laat ons niemand pijn doen, afstoten of eenzaam maken. Wij willen goed zijn voor iedere mens. Volg ons doen en laten als een goede Vader. Zegen het werk van onze handen, en blijf bij ons, elk uur van deze dag geloofsboek |
| Jesaja 65 17 Zie, ik schep een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Wat er vroeger was raakt in vergetelheid, het komt niemand ooit nog voor de geest. 18 Er zal alleen maar blijdschap zijn en groot gejuich om wat ik schep. Ik herschep Jeruzalem in een jubelende stad en schenk haar bevolking vreugde. 19 Dan zal ik over Jeruzalem jubelen en mij verblijden over mijn volk. Geen geween of geweeklaag wordt daar nog gehoord. 20 Geen zuigeling zal daar meer zijn die slechts enkele dagen leeft, geen grijsaard die zijn jaren niet voltooit; want een kind zal pas sterven als honderdjarige, en wie geen honderd wordt, geldt als vervloekt. 21 Zij zullen huizen bouwen en er zelf in wonen, wijngaarden planten en zelf van de opbrengst eten; |
Johannes 4 43 Na die twee dagen trok Jezus verder naar Galilea, 44 want hij had zelf gezegd dat een profeet in zijn vaderland niet wordt geëerd. 45 Toen hij in Galilea kwam, ontvingen de mensen hem gastvrij; ze hadden alles gezien wat hij op het feest in Jeruzalem gedaan had, want daar waren ze zelf bij geweest. 46 Hij ging in Galilea weer naar Kana, waar hij van water wijn had gemaakt. Er was daar een hoveling uit Kafarnaüm wiens zoon ziek was. 47 Omdat hij gehoord had dat Jezus uit Judea naar Galilea was teruggekeerd, was hij naar hem toe gekomen, en nu vroeg hij of Jezus mee wilde gaan om zijn zoon, die op sterven lag, te genezen. 48 Jezus zei tegen hem: ‘Als jullie geen tekenen en wonderen zien, geloven jullie niet!’ 49 Maar de hoveling drong aan: ‘Heer, ga toch mee, voordat mijn kind sterft.’ 50 ‘Ga maar naar huis,’ zei Jezus, ‘uw zoon leeft.’ De man geloofde wat Jezus tegen hem zei en ging weg. 51 En terwijl hij nog onderweg was, kwamen zijn dienaren hem al tegemoet om te zeggen dat zijn kind in leven was. 52 Hij vroeg hun sinds wanneer het beter met hem was gegaan. Ze zeiden: ‘Gisteren, een uur na de middag, is de koorts verdwenen.’ 53 De vader besefte dat dat het moment was dat Jezus tegen hem gezegd had: ‘Uw zoon leeft.’ Hij kwam tot geloof, hij en al zijn huisgenoten. 54 Dit deed Jezus toen hij uit Judea naar Galilea was teruggekeerd; het was zijn tweede wonderteken. |