![]() Marc Chagall Abraham en 3 engelen |
Het ignatiaanse gebed (1) Bekering midden het leven Ignatius was heel dynamisch en ondernemend en stond met zijn twee voeten op de de grond. Na zijn bekering stelde hij zich de vraag: Waar gaat het nu met mijn leven heen?" Hij kon die vraag enkel biddend beantwoorden omdat zijn bekering vertrok vanuit de ontdekking dat God iets te maken had met zijn leven en met zijn levenswijze. Zo bracht hij de twee polen - God en het leven- samen in het gebed. Innerlijk en uiterlijk tot eenheid Het ignatiaanse gebed vertrekt niet van het verlangen om uit alle drukte weg te vluchten en tot rust te komen. Het zoekt evenmin om zichzelf terug te ontdekken in de versnipperde aandacht, die aan zovele zaken wort besteed. Deze kenmerken mogen er deel van uitmaken, maar het gebed zelf is er niet op gericht. Het gebed wil wat buiten en in je leeft tot eenheid brengen; de plannen die gemaakt worden en degene die je uitvoert, in harmonie houden met je diepste kern, daar waar God met jou bezig is. Naar God en naar jezelf Twee voorwaarden moeten vervuld worden om tot die eenheid te komen: een naar God, de andere naar jezelf. Je moet jezelf helemaal los kunnen laten en toevertrouwen aan God:"Neem, Heer, en aavaard heel mijn vrijheid, mijn geheugen, mijn verstand en heel mijn wil, alles wat ik heb en bezit. U hebt het mij gegeven, aan U, Heer, geef ik het terug. Ales is van U, beschik erover geheel volgens uw wil. Geef dat ik U mag liefhebben. Die genade is mij genoeg." Dit is het aflsuitend gebed van Ignatius' 'gesstelijke oefeningen'. Dit is heel betekenisvol. Het toont aan dat je niet meteen tot volledige overgave komt. Je meot je die houding eigen maken.het belangrijkste is dat je dat inziet en ernaar verlangt. Dat verlangen zal je gebed veel sterker ondersteunen dan een gesimuleerde houding die je je nog niet eigen hebt gemaakt. Met dat verlangen sta je in de waarheid; met jezelf iets aan te matigen, niet. Je komt pas tot gebed als je in je waarheid staat, niet als je in een illusie leeft. Wauthier de Mahieu,sj. |
| Jeremia 17,5-10 5 Dit zegt de HEER: Vervloekt wie op een mens vertrouwt, wie zijn kracht ontleent aan stervelingen, wie zich afkeert van de HEER. 6 Hij is als een struik in een dorre vlakte, hij merkt de komst van de regen niet op. Hij staat in een steenwoestijn, in een verzilt en verlaten land. 7 Gezegend wie op de HEER vertrouwt, wiens toeverlaat de HEER is. 8 Hij is als een boom geplant aan water, zijn wortels reiken tot in de rivier. Hij merkt de komst van de hitte niet op, zijn bladeren blijven altijd groen. Tijden van droogte deren hem niet, steeds weer draagt hij vrucht. 9 Niets is zo onbetrouwbaar als het hart, onverbeterlijk is het, wie zal het kennen? 10 Ik, de HEER, ben het die het hart doorgrondt, die nieren toetst, die ieder naar zijn levenswandel beloont, aan ieder geeft wat hij verdient. |
Lucas 16,19-31 19 Er was eens een rijke man die gewoon was zich te kleden in purperen gewaden en fijn linnen en die dagelijks uitbundig feestvierde. 20 Een bedelaar die Lazarus heette, lag voor de poort van zijn huis, overdekt met zweren. 21 Hij hoopte zijn maag te vullen met wat er overschoot van de tafel van de rijke man; maar er kwamen alleen honden aanlopen, die zijn zweren likten. 22 Op zekere dag stierf de bedelaar, en hij werd door de engelen weggedragen om aan Abrahams hart te rusten. Ook de rijke stierf en werd begraven. 23 Toen hij in het dodenrijk, waar hij hevig gekweld werd, zijn ogen opsloeg, zag hij in de verte Abraham met Lazarus aan zijn zijde. 24 Hij riep: “Vader Abraham, heb medelijden met mij en stuur Lazarus naar me toe. Laat hem het topje van zijn vinger in water dompelen om mijn tong te verkoelen, want ik lijd pijn in deze vlammen.” 25 Maar Abraham zei: “Kind, bedenk wel dat jij je deel van het goede al tijdens je leven hebt ontvangen, terwijl Lazarus niets dan ongeluk heeft gekend; nu vindt hij hier troost, maar lijd jij pijn. 26 Bovendien ligt er een wijde kloof tussen ons en jullie, zodat wie van hier naar jullie wil gaan dat niet kan, en ook niemand van jullie naar ons kan oversteken.” 27 Toen zei de rijke man: “Dan smeek ik u, vader, dat u hem naar het huis van mijn vader stuurt, 28 want ik heb nog vijf broers. Hij kan hen dan waarschuwen, zodat ze niet net als ik in dit oord van martelingen terechtkomen.” 29 Abraham zei: “Ze hebben Mozes en de profeten: laten ze naar hen luisteren!” 30 De rijke man zei: “Nee, vader Abraham, maar als iemand van de doden naar hen toe komt, zullen ze tot inkeer komen.” 31 Maar Abraham zei: “Als ze niet naar Mozes en de profeten luisteren, zullen ze zich ook niet laten overtuigen als er iemand uit de dood opstaat.”’ |