METAMORFOSEN
Naarmate de contacten met Italië in de loop van de 16de eeuw toenemen in Holland, groeit ook de belangstelling voor thema's uit de oudheid. In Italië werd tijdens de Renaissance veel teruggegrepen naar de Klassieke Oudheid. De groeiende belangstelling in brede kringen blijkt ook uit de vertalingen in het Nederlands van werken van Ovidius, Vergilius en Homerus, die vanaf 1550 verschenen. Daarbij valt vooral de grote populariteit van Ovidius' Metamorphosen op. Deze vertellingen van Ovidius blijken ook verreweg het meest frekwent als inspiratiebron voor de beeldende kunstenaars uit de 17de eeuw te hebben gediend. De Haarlemse schilder, dichter en kunsttheoreticus Karel van Mander achtte de Metamorphosen van zo groot belang, dat hij een omvangrijk deel van zijn Schilder-boek (in 1604 verschenen) daaraan wijdde. Zoals hij zelf zei, wilde hij met de Wtlegginghe op den Metamorphosis (zoals dit gedeelte heette), de kunstenaars en kunstliefhebbers van dienst zijn. In de tijd dat hij dit schreef, blijkt zelfs de benaming 'schildersbijbel' voor Metamorphosen een gangbaar begrip te zijn geworden. Van Mander geeft fabelen namelijk veel algemene wijsheid en lering verborgen: in schijnbaar oppervlakkige vertellingen zijn diepzinnige gedachten verhuld, waarvan de mens veel kan leren en die van nut kunnen zijn om de zeden te verbeteren en aan te sporen tot een deugdzaam leven. Van Mander onderscheidt drie soorten uitleggingen: historische gebeurtenissen, waar een bepaald mythologisch verhaal op gebaseerd zou zijn een natuur-historische interpretatie (wijsheden over de elementen, de loop der sterren etc., die in de verhalen verborgen liggen) de 'leerlijcke en stichtelijcke uytlegginghen', dat wil zeggen de zeden-les die in verhulde vorm zou zijn weergegeven. De laatste krijgt bij Van Mander verreweg de meeste nadruk. De dikwijls nogal lichtzinnige verhalen moesten, om hun belangrijke plaats te kunnen blijven behouden, in overeenstemming gebracht worden met de christelijke filosofie. Hieruit ontstond een lange traditie van het allegorisch uitleggen van deze fabelen. In de 16de eeuw ontstonden in Italië geleerde mythologische handboeken waarin talloze verklaringen van de handelingen, maar niet de verhalen zelf worden weergegeven.Van Mander heeft voor zijn 'uitleggen' gekeken naar de Italiaanse handboeken. Aan het eind van de 17de eeuw schreef de kunsthistoricus: 'er mag verondersteld worden dat de mythologische scènes op schilderijen meestal meer te betekenen hadden dan alleen een illustratie van het verhaal. De moraal van een mythologische voorstelling kon doorslaggevend zijn geweest voor de populariteit bij een bepaalde groep mensen, waarbij de aantrekkelijkheid van de beeldvorm ook altijd een rol zal hebben gespeeld. Sommige thema's lenen zich goed voor politieke allegorieën en voor persoonsverheerlijking, terwijl andere thema's goed passen in bepaalde specialismen. Schilders die zich bijvoorbeeld toeleggen op arcadische landschappen of op het schilderen van dieren hebben, indien zij een mythologisch thema kiezen, een duidelijke voorkeur voor bepaalde scenes'.