Een ablutievat (van het latijn ablutio=afwassing) is een liturgisch gebruiksvoorwerp voor de ablutie (vingerwassing) na de H.Communie. Wanneer de priester of diaken de H.Hostie heeft aangeraaktkleven er wellicht nog deeltjes (partikels) aan de vingers. Het ablutievat wordt dan gebruikt om de vingertoppen te reinigen.Het ablutievat is daarom met water gevuld. Een logische plek voor het ablutievat is op het hoogaltaar. Vaak is een ablutievat van glas en heeft het een deksel. De inhoud behoort te worden opgedronken indien mogelijk.
Een ampul of buret is een schenkkannetje dat tijdens de katholieke Mis wordt gebruikt om water en wijn in de miskelk te gieten. Ampullen komen steeds per paar voor. Ze zijn dikwijls van zilver en veeal sluitbaar met een kapje.De ampul die voor het water bestemd is, is ook vaak te herkennen aan de letter A (Aqua) en deze voor de wijn draagt dan de letter V (Vinum). Bij de ampullen hoort doorgaans een zilveren lavaboblad, soms met noppen waarop de ampullen precies passen en dat in de H.Mis bij de handenwassing (lavabo) wordt gebruikt. De ampul met het water wordt in de Mis een derde maal gebruikt bij de ablutie (het reinigen van de kelk en van de vingers van de priester na de H.Communie)
Het antependium is de bekleding aan de voorkant van een altaar in de vorm van stof, hout of edelmetaal. Als een stoffen antependium wordt gebruikt, dan wordt dit voorzien van de van toepassing zijnde liturgische kleuren
Barok (17e-18e eeuw)
Vanaf het einde van de zestiende eeuw geeft de barok aan alle liturgische voorwerpen een rijkelijk karakter, gelijk lopend met de bouw- en beeldhouwkunst, die de Katholieke Hervorming, sedert het Concilie van Trente (1545-1564) glans en luister geeft. Tegenover de protestantse leer van de 'symbolische aanwezigheid' van Christus in de eucharistie, bevestigt het katholieke dogma de 'werkelijke aanwezigheid'. De barokke kelk huldigt met een weelde aan zilver en goud de eucharistie in de feestelijke missen van het 'rijke Roomse leven'.
Omstreeks 1200 ontstaat de CIBORIE, als een grotere pyxis op een schacht met een knoop en een voet, om de communie aan de gelovigen uit te delen. De naam is afgeleid van het Griekse kiborion, met de betekenis van grote drinkbeker, in de vorm van een Egyptische boon. De ciborie gaat gelijken op een kelk met deksel, en volgt dezelfde ontwikkeling van de stijlen.
Zoals in vele godsdiensten nam het wierookoffer ook in die van Israël een voorname plaats in. Omdat de Romeinen wierook gebruikten in de keizerscultus, aanzagen de eerste christenen en Augustinus het gebruik va wierook als een heidens ritueel. Toch kreeg het zijn plaats in de liturgie, als een symbool van opstijgend gebed of de ziel bij een uitvaart. De oudst bewaarde wierookvaten dateren van het jaar 1000. De vorm van nog oudere kennen we enkel uit de iconografie, zoals op het beroemde mozaïek van keizer Justinianus in de San Vitale van Ravenna: een vuurpot zonder deksel opgehangen aan kettingen.
In de Romaanse periode zijn de wierookvaten bolvormig. Van de gotiek tot de barok zijn de vaten als kleine gebouwtjes in de stijl van de tijd. Nadien neemt het de vorm van een balusterachtig vat met deksel, versierd met motieven van verschillende aard. Vandaag de dag komt opnieuw de vuurpot in gebruik. In tegenstelling tot de miskelk heeft de ciborie een deksel, waarop doorgaans een rechtopstaand kruisje is bevestigd. Als de ciborie het Allerheiligste bevat hangt men er een ciborievelum overheen en bewaart men haar in het tabernakel

De dalmatiek (dalmatica) is in de rooms-katholieke liturgie het eigen gewaad (oorspronkelijk wit tot de knieën reikend) van de diaken. Het verschilt in die zin van de kazuifel, dat het mouwen heeft. De dalmatiek is als kleding van de diaken nauw verwant aan de tuniek die vanouds het kledingstuk van de subdiaken is en was. Tegenwoordig zijn tuniek en dalmatiek nauwelijks van elkaar te onderscheiden
De kazuifel is het gewaad dat de priester draagt tijdens de eucharistieviering. Het woord "kazuifel" komt van het Latijnse woord "casula", dat "huisje" betekent. De kazuifel draagt de priester over de andere liturgische kleding (albe en stola) heen
De kelk, afgeleid van het Latijnse calix, wat beker betekent, ontwikkelt zich uit de profane drinkbekers, vervaardigd uit de gebruikelijke materialen, niet alleen metaal zoals zilver, koper en tin, maar ook keramiek, glas en hout. Vanaf de vierde eeuw wordt de kelk uitsluitend uit edele metalen vervaadigd. De oudste kelken hebben twee vormen: de platte drinkschaal met twee handgrepen, handig om door te geven, en de drinkbeker met kuip (cupa), knoop (nodus) en voet. Met het verdwijnen van de communie onder de twee gedaanten is de drinkbeker tot vandaag de dag de basisvorm gebleven.
De koorkap of koormantel (in het Latijn pluviale, cappa, mantum) is een tot aan de voeten afhangend, wij liturgissch gewaad dat gedragen wordt door geestelijken. Dit gewaad wordt door priesters, diakens en subdiakens gedragen bij bepaalde niet-eucharistische plechtigheden zoals de getijden, tijdens het lof en bij sacramentsprocessies, maar dus niet tijdens de mis.
De monstrans of ostensorium (van het Latijnse "ostendere', dat "laten zien" betekent) is een onderdeel van het liturgisch vaatwerk in de Rooms-Katholieke Kerk. Het is een houder, meestal van metaal, waarin de geconsacreerde hostie wordt getoond. Het halvemaanvormige knijpertje dat de hostie op zijn plaats houdt (zowel in toren- als in zonnemonstransen) wordt een lunula genoemd.De monstrans kent een lange geschiedenis. Het voorwerp komt voort uit de reliekhouders die op het altaar, tussen de kaarsen in, relieken van heiligen tentoonspreiden gedurende de Middeleeuwen. In de twaalfde eeuw werd ook het H.Sacrament van het Altaar, althans uitsluitend de H.Hostie, steeds meer uitgesteld in houders die qua vorm met de reliekhouders overeenkwamen. Door de veralgemening van het Feest van het H.Sacrament in 1264 ingesteld door paus Urbanus V1, de gewezen aartsdiaken van Luik, reeds ingesteld door bisschop Robertus door toedoen van mystica Juliana van Mont-Cornillon.
Stralenmonstransen vertellen in zekere zin verhalen door hun verwijzingen naar symbolen en/of bijbelse verhalen, zoals de gotische kathedralen, waarvan de afbeeldingen als strips kunnen gelezen worden en mensen aan het bidden brengen. Neostijlen (19e-20e eeuw)
In de negentiende eeuw ontstaan de neostijlen, vooral de neogotiek, als uitdrukking van het romatische heimwee naar de 'christelijke middeleeuwen'. De neogotiek vindt zijn oorsprong in Engeland, waar de gotische traditie was blijven bestaan. Veel Engelsen komen in het 'middeleeuwse Brugge' naar nieuwe inspiratie zoeken. W.H.James Weale ontdekt er onze Vlaamse Primitieven. In Frankrijk herstelt Eugène Viollet-le-Duc de gotische kathedralen. In Vlaanderen is baron Jean de Béthune de belangrijkste neogotieker, daarin gesteund door bisschop Joannes-Baptista Malou, Guido Gezelle en kanunnik Duclos. Hij bouwt in 1865 dhet neogotisch geheel van Vivenkapelle.
Het neogotische liturgische vaatwerk inspireert zich aan hun gotische voorbeelden, zonder hen volledig te imiteren. Ze zijn rijkelijker versierd. De kuip wordt gevat in een brede uitloper van de schacht en draagt meestal een Latijns opschrift, dat verband houdt met het heilig Bloed. De voet is versierd met geëmailleerde medaillons met heiligenfiguren. Er wordt veel gebruik gemaakt van onecht edelgesteente en glas.
Op het neogotisch altaar past deze kelk in het decor van verhalende retabels, koperen kandelaars en kleurrijke gordijnen. De neogotische kelk is nog de meest gebruikte in onze kerken.
De pateen, afgeleid van het Griekse patanè en het Latijnse patina, met de betekenis van platte schaal, was oorspronkelijk een grote schotel waarop et brood voor de liefdemaaltijd, de agapè, werd verzameld. Het deel voor de eucharistie, die de agapè voorafging, werd gelegd op een kleinere priesterpateen. Na he verdwijnen van de agapè en met het gebruiktvan de kleine hosties werd alleen nog de priesterpateen gebruikt. Sedert de Karolingische tijd werd de priesterpateen op de kelk gelegd als symbool van de steen op het graf van Christus. Zoals de kelk wordt vaaf de vierde eeuw de pateen uit edele metalen vervaardigd en versierd met eucharistische symbolen, zoals het Lam Gods, de vis, korenaren en druiven, of met het kruis, het Christusmonogram, de Griekse letters alfa en omega, en taferelen met Christus, de apostelen en engelen
De PYXIS is een kleine ronde of ovalen doos, reeds vroeg in gebruik om het geconsacreerde brood naar de zieken en stervenden aan huis te dragen. De naam is afgeleid van het Griekse puxos, wat bukshout betekent. Vanaf de vierde eeuw worden ze vervaardigd in edele metalen, ivoor of email. Soms hadden ze de vorm van een duif, symbool van de heilige Geest, en werden ze opgehangen boven het altaar.