Het leven van Sint-Maarten

Links staan de schilderijen van Filiep Serrus (°27jun1957), een professioneel restaurateur van kunstwerken met atelier in Sint-Denijs. Het beroep brengt hem bestendig inzicht bij in kleur- en vakkennis. Hij begon een paar jaar geleden zelf met het schilderen van doeken en hij hanteert daarbij meestal een abstracte stijl. Bij het schilderen van het leven van Sint-Martinus in tien taferelen ter gelegenheid van het zestiende eeuwfeest van Sint-Martinus in 1997 werkte hij figuratief. Hij beschikt over een onstuimige verbeeldingskracht die hij omzet in fijn uitgewerkte harmonische taferelen. Te bewonderen is de pracht van zijn rijkgeschakeerd koloriet Sint-Maarten van Tours
Het leven van Sint-Maarten kennen we door zijn biograaf, Sulpicius Severus , die omstreeks 360 geboren werd in Aquitanië. Zijn christelijke ouders zijn rijk genoeg om hem in Bordeaux te laten studeren. Na zijn studie maakt hij snel naam als advocaat. Hij sluit een schitterend huwelijk. Zijn leven verandert echter volledig door de vroege dood van zijn vrouw. Omstreeks 393 verzaakt Sulpicius aan al zijn bezittingen en bekeert zich tot de ascese. Hij sticht de monastieke gemeenschap Primiliacum, in de buurt van Toulouse. Daar hoort hij verhalen over een heilige bisschop. Hij besluit deze op te zoeken en reist naar Tours. Zijn eerste ontmoeting met Martinus is vermoedelijk het begin van een ganse reeks bezoeken. Sulpicius putte er de vlammende kracht uit om zijn literair talent aan te wenden voor het schrijven van een biografie. Hij publiceert zijn Vita Sancti Martini in 396. Na de dood van Martinus schrijft hij nog drie Brieven(397-400) en drie Dialogen (403-404).Het boekje kent zeer snel een enorme verspreiding. Honderden handschriften ervan zijn bewaard. Martinus wordt door Sulpicius voorgesteld als een te vereren held, superieur aan de monniken uit het Oosten. De biografie heeft als doel de heiligheid van Martinus te verheerlijken. Op uitbundige wijze stelt hij Martinus tot voorbeeld, de bisschop die door zijn compromisloze leven meer dan eens de ergernis van lauwe christenen wist te wekken.
Het levensverhaal van Sint-Maarten kunnen we ook volgen op de 16e eeuwse medaillons op twee dalmatieken Deze pittige, realistische toneeltjes zijn uitgevoerd door bekwame kunstenaars. De tekenaar ervan heeft inzicht in perspectief en oog voor fijne koddige trekjes. De beperkte vorm waarin de verhaaltjes geborduurd zijn verwijzen opnieuw naar de begaafde artiest, in staat heel verschillende decors voor elk onderdeel op te bouwen
jeugdjaren – manteldeling
In 316 (of 336) wordt Martinus geboren in Sabaria in de Romeinse provincie Pannonië, het tegenwoordige Szombathely in Hongarije. Zijn vader, een Romeins legerofficier, geeft zijn zoon de Latijnse naam Martinus, naar de Romeinse oorlogsgod Mars. Martinus loopt school in Ticinum (nu het Italiaanse Pavia). In die tijd krijgt hij belangstelling voor het christelijke geloof als hij in een gebedsruimte binnenstapt en onder de indruk komt van biddende mensen en het horen van het Jezusverhaal. Tegen de zin van zijn ouders wordt hij doopleerling. Zijn vader verlangt voor Martinus een hoge rang in het leger en dwingt zijn zoon de eed in het leger af te leggen. Martinus wordt na verloop van tijd ingezet bij de ruiterij van de keizerlijke garde. In deze functie bereist hij diverse streken van het Romeinse rijk. Zo komt hij terecht in de provincie Gallië (Frankrijk), waar hij in Amiens wordt gelegerd. In deze stad grijpt het eerste avontuur met God plaats. Daar komt hij op een dag tijdens de strenge winter bij de stadspoort een naakte bedelaar tegen die zijn hulp inroept: “Ik ga dood van de kou, help mij”. Sulpicius vertelt: “Hij greep daarom het zwaard dat hij droeg, deelde zijn mantel doormidden en gaf het ene stuk aan de arme. Wat overbleef, trok hij weer aan”.
bekering
De volgende nacht ziet Martinus tijdens zijn slaap Christus gekleed met de halve mantel die hij de avond voordien de arme heeft aangedaan. Hij hoort Christus, omringd door engelen, hem met een heldere stem toespreken:”Martinus, doopleerling, heeft mij dit kleed aangedaan”. Dit visioen is de basis van zijn verdere spirituele ontwikkeling. Hij laat zich dopen. De Franse historicus Jacques Fontaine geeft voor beide gebeurtenissen, manteldeling en visioen, het jaartal 334 aan. In 356 bedreigen de Germanen, barbaren, opnieuw de noordelijke grenzen van het keizerrijk. Caesar Julianus (355-361) stelt zijn troepen op te Worms in de Rijnvallei. De avond voor het gevecht krijgt het garnizoen waar Martinus bij hoort, een soort aanmoedigingspremie. Dit feit is voor Martinus aanleiding om het leger te verlaten. Hij zegt tot de keizer:” Tot nu toe ben ik uw soldaat geweest, laat mij nu in dienst van God treden. Wie van plan is te vechten mag uw uitkering aannemen, ik echter ben Christus’ soldaat en mag niet vechten. De keizer reageert woedend en verwijt Martinus lafheid. Martinus antwoordt: “Als mijn besluit aan lafheid wordt toegeschreven, stel mij dan morgen ongewapend op voor de eerste linie en ik zal in naam van de Heer Jezus, beschermd door zijn kruis, ongedeerd doordringen in de slagorde van de vijand.”. De volgende dag zenden de vijanden gezanten om de vrede te sluiten. Martinus’optreden, omgeven door een fascinerende sfeer van mysterie, maakt indruk op Caesar Julianus. Martinus herwint zijn vrijheid.
zwerftocht door Europa
Martinus staat nu aan het begin van zijn echte levenswerk. Langs rechte wegen trekt hij naar Poitiers, verblijfplaats van bisschop Hilarius. Hilarius, een rijk getrouwd man, heeft één dochter Abra. Zijn gezin leeft met een kleine groep diakens in het bisschopshuis. Zij vormen een gemeenschap die samen het evangelie leest, bidt, vast, leiding en vorming geeft aan de christenen van Poitiers en omstreken. Martinus beluistert de uitleg van het evangelie door de scherpzinnige Hilarius en geniet van dit rustig zusterlijk en broederlijk samenzijn. Hij wordt tot duiveluitdrijver gewijd en bezit nu de kracht om te genezen en te dopen. Martinus vertrekt nog één keer naar zijn ouders in Pannonië. Hij begint een eenzame wandeltocht. In het landschap ziet hij telkens opnieuw heilige tempels, altaartjes langs de weg met namen als Jupiter, Minerva, Mercurius, een herinnering aan de Romeinse godenverering. Dit is het startpunt van zijn komende strijd met de duivel. Als hij de Alpen oversteekt, valt hij in handen van rovers; Sulpicius vertelt hoe Martinus zich ondanks de gevaarlijke situatie veilig voelt, beschermd door de Heer! Hij slaagt erin één van de rovers te bekeren tot het geloof in Christus.Thuis kan hij enkel zijn moeder en enige vrienden overtuigen. Op de terugweg verblijft Martinus te Milaan. Hij komt er tot het besef, na uren van nadenken en bidden, dat hij de strijd tegen de misleiding van de duivel met zichzelf moet voeren als eremiet. Hij gaat in Milaan op zoek naar plaatsen waar christenen bijeenkomen om inzichten in het evangelie uit te wisselen. Hij woont aan de stadspoort.
monnik
Bang voor zijn invloed en de openlijke verkondiging van zijn geloof in het credo van Nicea , verjaagt de ariaansgezinde bisschop Auxentius Martinus met stok- en zweepslagen. Samen met een vriend-priester begint Martinus op het eiland Gallinaria aan de Ligurische kust aan een leven als eremiet. Het ondeskundig eten van planten en wortels heeft zijn lichaam verzwakt. Maar waarschijnlijk leest hij er het juist verschenen en verspreid boek van de banneling Athanasius over het leven van de vader van de eremieten, Antonius van Egypte. Begin 360 vindt Martinus, tot zijn grote vreugde, in Poitiers Hilarius terug , die zelf een tijd in ballingschap leefde in Frygië en daar kennis maakte met verschillende vormen van alleen zijn en gemeenschapsleven. Zo steunt hij Martinus’ verlangen naar het kloosterleven met raad en daad. Hij schenkt hem zijn buitenverblijf dat de naam krijgt: “Kleine cellen of Ligugé”. Als ervaren leider wijdt Martinus ruim 10 jaar van zijn leven aan een groep kloosterlingen. Dit wordt het eerste klooster in Europa. Martinus gaat voor in gebed, geeft vorming aan zijn medebroeders en aan geloofsleerlingen. Mensen zoeken hem op als raadgever of komen bedelen om hulp. Bijgestaan door zijn medebroeders vervult Martinus te Ligugé de taak van echte verkondiger van het evangelie met woord en daad.
ligugé
Sulpicius Severus verhaalt twee dodenopwekkingen die plaatsvinden in Ligugé, waardoor Martinus op één lijn wordt gesteld met de apostelen. Een jonge catechumeen wordt ernstig ziek en sterft. Martinus bidt vurig tot de Heer om hem bij te staan. Na twee uren bidden en smeken opent de doopleerling de ogen. Samen danken ze God om zijn barmhartigheid. De jonge catechumeen laat zich dopen, diep geraakt door de tedere goedheid van God.
Bij een avondwandeling doen angstkreten uit de villa van zijn rijke buurman Martinus schrikken. Hij loopt erheen en verneemt dat een van de slaven zich heeft opgehangen. Onmiddellijk behandelt Martinus hem op dezelfde wijze als de geloofsleerling, totdat ook hij de ogen opent en God dankt om zijn teruggewonnen leven.
Adjudant Lycontius, een gelovig man, roept per brief de hulp van Martinus in als een gevaarlijke ziekte zijn personeel treft. Martinus leest de brief. Hij bidt en vast zeven dagen en nachten tot het wonder van de genezing gebeurt. Lycontius en zijn vrouw bedanken Martinus en geven hem honderd pond zilver. Martinus aanvaardt dit geschenk, maar koopt er onmiddellijk gevangenen mee vrij. “Wij vragen niets voor eigen gebruik te aanvaarden” behoort tot zijn fundamentele levenskeuze.
bisschop
Tijdens het concilie van Nicea in 325 wordt het verloop van een bisschopskeuze vastgelegd. Een bisschop moet aanvaard worden door drie groepen. Zo wil men omkoperij door de staat vermijden. De drie groepen zijn: de gemeenschap van gelovigen, de geestelijkheid en de naburige bisschoppen. Mensen uit Tours bedenken een list om Martinus uit Ligugé weg te lokken. Zij verlangen namelijk dat hij hun gestorven bisschop Litorius opvolgt. Ze weten dat Martinus over een krachtig charisma beschikt. Daarom zien ze in hem de gedroomde leider van hun stadskerk en hun bisdom. Een enthousiast gezelschap onthaalt hem feestelijk te Tours. Martinus wordt in de kerk tot voor de bisschopstroon geduwd. Luidkeels maken de aanwezige bisschoppen hun bezwaren kenbaar tegen de armoedige en slordige verschijning van Martinus. Daarop slaat één van de diakens zijn psalmboek open op een willekeurige plaats en begint luidkeels het volgende fragment voor te lezen: “Uit de mond der kleinen, de kreet van het kind, (hebt Gij) uw vermogen bevestigd, dat uw tegenstanders het weten, dat vijand en verstoorder moet zwijgen”(Ps.8,3). Een geweldig applaus vult de kerk: het orakel van God heeft gesproken. Het volk van Tours neemt Martinus, nu hun gezalfde bisschop, mee en installeert hem in het bisschopshuis.
marmoutier
Martinus blijft ondanks zijn bisschopswijding in hart en betrachtingen nog altijd monnik. Hij organiseert de werkzaamheden die tot de kerkelijke organisatie horen te Tours. Hij steunt daarvoor op de bekwaamheid en de inzet van de diakens, de presbyters met wie hij een doorlopend contact houdt. Zelf vlucht hij de drukke stad en gaat wonen in Marmoutier aan de zuidelijke oever van de Loire. Hij krijgt er tot tachtig volgelingen, zodat een nieuwe gemeenschap ontstaat. Zijn persoonlijk voorbeeld van langdurig bidden en vasten vormt mannen tot monniken die met hem de stilte beleven en zijn levenswijze delen. Wanneer Martinus het platteland bezoekt, neemt hij telkens monniken mee om de pas gestichte parochies te animeren. Marmoutier blijft niet alleen de woonplaats van monniken, het groeit ook snel uit tot een pastoraal vormingshuis voor toekomstige priesters. Bij het vieren van de eucharistie heeft Martinus de gewoonte vooraf een tijd in stilte en gebed door te brengen. Een volhardende bedelaar verstoort Martinus: hij klaagt dat er voor hem niets wordt gedaan. Onmiddellijk trekt Martinus onder zijn mantel zijn warme tuniek uit en geeft die aan de arme bedelaar. Wanneer de hoofddiaken Martinus verwittigt dat het tijd is om de liturgie te beginnen, antwoordt Martinus dat hij de dienst niet kan beginnen voordat de arme is aangekleed. De diaken reageert prompt dat de arme verdwenen is. Martinus dringt aan: “Laat, wat voor de bedelaar is klaargelegd hier brengen”. De diaken loopt boos weg, koopt de minst dure tuniek en werpt deze Martinus toe. Uiteindelijk begrijpt de diaken het gebaar van Martinus die met een veel te korte tuniek aan het altaar het misoffer opdraagt. Als Martinus het altaar zegent, verschijnt een stralenkrans rond zijn hoofd. Een paar mensen merken dit wonderlijk gebeuren op.
Regelmatig bezoekt Martinus de door hem gestichte parochies. Meestal reist hij dan te voet of met een ezeltje. Op zo’n tocht komt hij een officiële reiswagen tegen. De paarden schrikken bij het zien van de sjofel geklede Martinus. De wagen blokkeert. De militairen reageren woedend hun oponthoud uit op Martinus. Ze werpen hem op de grond en slaan hem hardhandig, tot bloedens toe. Halfdood wordt Martinus op het ezeltje gezet en haastig door zijn medebroeders weggebracht. Het vervolg van het verhaal? De paarden blijven stokstijf staan, ze worden door de militairen afgeranseld, maar ze bewegen niet. Verbijsterd vragen ze zich af wie die man is die zij zo toegetakeld hebben. Zij lopen Martinus achterna en vragen hem om vergeving. De paarden beginnen opnieuw de wagen te trekken en de militairen zetten hun reis verder.
wonderen
Martinus, apostel van het platteland, ijvert om mensen tot het geloof te brengen in de Heer Jezus Christus. Hij voert een offensief tegen heidense denkbeelden en praktijken. Naast een vernielde tempel staat een heilige boom die vereerd wordt. Martinus geeft het bevel deze om te hakken. De omstanders, meestal landbouwers, reageren geschokt. Eén van hen doet een voorstel: “Wanneer het vellen van die boom een opdracht is van de ware God, zullen wij hem omhakken. Als God met u is, zult u geen letsel oplopen als de boom omvalt”. Men bindt Martinus aan de voeten vast om hem het ontsnappen te beletten. Hij staat er onbevreesd bij en maakt een kruisteken. De boom valt niet op, maar naast hem neer. Verbaasd door de uitwerking van het kruisteken bekeren velen zich tot het christendom. Martinus geniet in de streek de faam een heilige te zijn die vervuld van Gods geest wonderen verricht. Sulpicius Severus vertelt enkele merkwaardige feiten: in Parijs omhelst hij een melaatse die terstond geneest, in Trier geneest hij een verlamd meisje, in Chartres geneest bij een twaalfjarig meisje dat sinds haar kinderjaren stom is; in diezelfde stad gebeurt ook zijn derde dodenopwekking: een vrouw met haar pas gestorven kind in de armen smeekt Martinus om hulp. Met een zegenend gebaar brengt hij het kind weer tot leven. In Tours drijft hij duivels uit, zalft zieken en ondersteunt de armen. Ook na zijn dood beschermt hij de stad. Tijdens een belegering van Tours door de Noormannen, draagt men zijn relieken rond langs de stadswal. De Noormannen slaan verschrikt op de vlucht.
Op zekere dag komt de bloeddorstige gouverneur Avitianus Tours binnen met rijen geketende gevangenen die met een smartelijk vertrokken gezicht de mensen aankijken. Martinus verneemt het gebeuren. Hij begrijpt dat Avitianus handelt onder invloed van een demon. Haastig gaat hij erheen. Alle deuren van het paleis zijn gesloten. Martinus begint te bidden. Tweemaal schrikt Avitianus wakker door een stem die hem zegt dat de knecht Gods voor zijn deur ligt. Wanneer hij eindelijk Martinus voor zich ziet staan, verliest hij alle heerszucht en beveelt zijn ambtenaren de kerkers te openen en de gevangenen vrij te laten. Bij een latere ontmoeting in Tours met Avitianus ziet Martinus bij het binnengaan van zijn werkkamer een duivel van ontzaglijke grootte op de rug van Avitianus zitten. Met een krachtige stoot blaast hij de duivel weg. Martinus bezit de gave de duivel in een menselijke gedaante te zien. Gedurende gans zijn leven wordt hij door de duivel achtervolgd. Op zekere dag krijgt Martinus tijdens het bidden gezelschap. Vol schittering en gloed, aangekleed als een keizer, een kroon op het hoofd, prachtig schoeisel aan de voeten, met een merkwaardig rustig gelaat, staat de duivel in zijn cel. Martinus kijkt hem uiterst verbaasd aan, maar blijft doorbidden. De duivel neemt het woord en zegt plechtig:”Herken, wie gij ziet: ik ben Christus, nu ik naar de aarde afdaal, wil ik mij eerst aan u openbaren”. Martinus zwijgt.De duivel slaat een brutalere toon aan: “Martinus, wat aarzelt gij te geloven, ofschoon gij ziet? Ik ben Christus!” Martinus, verlicht door de heilige Geest, antwoordt: “Jezus, de Heer heeft niet voorzegd dat hij in een purperen gewaad en met een stralende kroon op zijn hoofd zal terugkomen. Wat mij betreft, ik geloof in de gedaante waarin hij geleden heeft. Hij toont de wonden van het kruis”. Bij deze uitspraak van Martinus verdwijnt de duivel terstond in een stinkende rookwolk. Bisschoppen proberen in de gunst te staan van keizer Maximus (383-388). Martinus daarentegen zoekt enkel de keizer op om iets te bekomen voor zijn gelovigen. Op zekere dag wordt hij door de keizer aan tafel uitgenodigd. Martinus stemt toe. Alle disgenoten, aanzienlijke mannen, zijn als voor een groot feest samengeroepen. Martinus neemt plaats naast de keizer. Tijdens de maaltijd biedt een dienaar de beker aan. De keizer beveelt de drinkschaal eerst aan Martinus aan te bieden. Wanneer Martinus eruit gedronken heeft, geeft hij de beker niet aan de keizer, maar wel aan een priester door. Allen bewonderen Martinus’ daad die geen enkele andere bisschop ooit zou durven stellen.
dood
Nieuws over een twist in Candes doet hem besluiten erheen te gaan. Diep onder de indruk van Martinus’ woorden bij deze vredesmissie leggen de broeders hun twist bij. Als hij naar huis terug wil, wordt hij door hoge koorts overvallen. In een paar dagen kwijnt hij weg en sterft. Op zijn sterfbed spreekt hij nog in militaire taal:”Heer, de strijd die ik in uw dienst moet strijden, is zwaar, reeds genoeg heb ik gestreden. Als Gij mij evenwel beveelt de wacht te houden bij uw legerplaats, dan zal ik niet weigeren. Mijn leeftijd zal ik niet aanvoeren als een verontschuldiging. Ik zal dienen onder uw vaandel, zolang Gij mij dit beveelt”. Nog dezelfde nacht brandt een strijd los om het lichaam van Martinus. Terwijl de rivalen uit Poitiers slapen, brengen de aanwezigen uit Tours zijn lichaam naar een klaarliggend schip. Zij nemen hun heilige, die de stad roem en glorie zal brengen, mee naar Tours. Op 11 november wordt hij onder grote belangstelling met veel eer begraven. Spoedig begeven veel pelgrims zich naar zijn graf. Martinus krijgt de bijnaam van dertiende apostel. Bisschop Bricius bouwt in 437 een kleine kapel boven het graf. Dertig jaar later, in 465-470 vervangt Perpetuus de kleine kapel door een prestigieuze basiliek. Zo wordt de basiliek van Tours ook een haltepunt op de pelgrimsroute naar Compostella. Veel belangrijke personen komen bidden bij het graf van Martinus.
verering
Gestorven ziet Martinus eruit als een engel, alsof hij zich reeds toont in de glorie van de verrijzenis. In zijn nabijheid staan de attributen van zijn bisschoppelijke waardigheid. Gedurende eeuwen is Martinus een zeer populaire heilige. In Tours wordt het graf van Martinus het grote pelgrimsoord van de Franken. Clovis kiest hem tot beschermheilige van Frankenland. Duizenden kerken in Europa dragen zijn naam: in Frankrijk alleen al meer dan 4000 kapellen, waarvan 3672 parochiekerken. Verder verspreidt de Martinusverering zich ook in België, Duitsland, Engeland, Hongarije, Italië, Joegoslavië, Luxemburg, Nederland, Oostenrijk, Spanje en Zwitserland. Dat Martinus in onze streken een bekende heilige werd is vooral te danken aan het zendingswerk van Sint-Elooi, in de zevende eeuw. In België zijn er 372 kerken aan de heilige Martinus toegewijd. In het bisdom Antwerpen bevinden zich 5 parochiekerken met Martinus als beschermheilige, in het bisdom Brugge 21, het bisdom Gent heeft er 46, Hasselt 27, Luik 39, Mechelen-Brussel 44, Doornik 89 en het bisdom Namen ten slotte heeft er niet minder dan 101.
Klik hier voor de volledige dalmatieken
BIBLIOGRAFIE
C.W.MÖNNICH, Martinus van Tours, Uitg.Moussault, Amsterdam 1962
Christopher DONALDSON, Martinus van Tours, Gooi en Sticht bv, Hilversum 1987
Guy-Marie OURY, Saint Martin de Tours, CLD, Chambray-lès-Tours 1987
Charles LELONG, Martin de Tours, CLD, Chambray-lès-Tours 1996
Sulpice SEVERE, Vie de Saint Martin, Les Editions du Cerf, Paris 1996
Rozemie ALGOED, Sint-Martinus van Tours: een klein oud verhaal, Werkgroep Sint-Maartenskerk, Kortrijk 1997
Rozemie ALGOED, Helena DEMEESTERE, Sint-Maarten in de Kortrijkse Sint-Maartenskerk, Werkgroep zestiende eeuwfeest Sint-Martinus van Tours, Kortrijk 1997