KORTE GESCHIEDENIS

I. VAN 1414 TOT 1578
Na de slag van West-Rozebeke, op 27 november 1382, werd de stad Kortrijk door Bretoense huurlingen geplunderd en platgebrand. De 13de-eeuwse gotische Sint-Maartenskerk moet er als een zwartgeblakerde ruïne gestaan hebben; nog slechts een deel van de buitenmuren en waarschijnlijk enkele pilaren bleven rechtop staan. Het duurde enkele tientallen jaren vooraleer er weer geld voorhanden was om de parochiekerk van onze stad opnieuw op te bouwen. De bewaarde kerkrekeningen vangen aan "te Sint- Jansmesse 1414"; voor dit jaar staat genoteerd dat, tegen 41 pond parisis, werd "ghecocht jeghen heer Willem de Vaerwe een orghele die in de kerk ghestelt es." Waarschijnlijk was dit het EERSTE ORGEL waarover de kerk beschikte. Dit instrument zal een eenvoudig positief geweest zijn in de aard van wat bij voorbeeld afgebeeld staat op een van de luiken van van Eyck's "Aanbidding van het Lam". De rekeningen van 141 5 tot 1439 gingen verloren, zodat we hier voor een periode van 24 jaar in het duister tasten. Ditzelfde moet gezegd over meerdere perioden in de haast 570-jarige geschiedenis van het orgel in Sint-Maarten te Kortrijk. Voor Antoon Deschrevel is het echter zo goed als zeker dat onze kerk vóór 1439 een nieuw orgel zal gekregen hebben. Dit nieuwe - TWEEDE ORGEL - werd opgehangen in de nabijheid van het eveneens nieuwe koordoksaal, hoogstwaarschijnlijk tegen de zuidelijke muur van het zijkoor, daar ongeveer waar nu de toegang is tot de sakristie. Tot aan de brand van 1862 was daar, in het nadien gesloopte 15de-eeuwse muurpand, nog het overblijfsel te zien van een doksaaltrap met een toegangsdeur op een hoogte van 5,70 m. In meer dan één 15de-eeuwse kerk treffen wij ten andere de orgeltribune op deze plaats aan. In 1459 neemt Simoen Willecomme de organistenbank over, hij zal die blijven bezetten tot aan zijn dood in 1471. Willecomme bezat persoonlijk een orgeltje dat hij op het doksaal liet brengen om er de vroegmis en het lof mee te begeleiden. In 1462 koopt de kerk dit instrument van hem af voor 12 pond. Zodoende zal de Sint-Maartenskerk op dat moment over een groot en een klein orgel beschikken; een rijkdom die wij op heden weer in onze kerk aantreffen. Reeds in 1498 was er evenwel weer spraak van een nieuw orgel. In de zomer van 1499 werd door de kerkrneesters overeengekomen met "meester Lambrecht Buekele, orghelmaekere" nopens het maken van een nieuw orgel. Het is niet met zekerheid te achterhalen wie deze meester Buekele was. Hij was waarschijnlijk een van die rondreizende orgelmakers die, zoals het toen nog gebruikelijk was, zich tijdelijk te Kortrijk kwam vestigen met zijn gezin, om er het bestelde orgel ter plaatse te maken. Meester Buekele werd verzocht eerst een nieuw positief te bouwen op het doksaal, wat in 1501 klaar kwam. Tegen het midden echter van 1502 sterft orgelbouwer Buekele, en het is meester Joos de Buus uit Brugge die het groot orgel zal voltooien. Dat het meubel voor dit instrument rijk versierd was, kunnen wij opmaken uit de vermelding dat de lokale schilder Steven Roose, hiervoor niet minder dan" 1 200 bladen gouds" gebruikte. Alles kwam klaar tegen Kerstdag 1502. Dit zou dan het DERDE ORGEL in de Sint-Maartenskerk geweest zijn, als we tenminste de kleine instrumenten niet meerekenen. Echter in 1524 wordt Charies Wagbers uit Brugge ontboden "omme de groote orghelle te komen visetneeren midts men daer an wercken moeste".In de nu volgende jaren komen verschillende perioden voor waarvan wij niet meer over de kerkrekeningen beschikken. Voor een duur van ongeveer vijftig jaar is het nu tasten in het duister. In augustus 1566 ontsnapte de stad Kortrijk aan de eerste beeldenstorm. Op 26 augustus 1578 echter werd de Sint-Maartenskerk geplunderd door de beeldenstormers. Het is hoogstwaarschijnlijk dat het orgel hierbij sterk gehavend werd, zo al niet vernietigd. In het overzicht van deze periode en ook van de volgende, vermelden wij uiteraard niets over de vele herstellingswerken en aanpassingen die aan de achtereenvolgende instrumenten gedaan werden, en waarvan vermeldingen voorkomen in nog bestaande kerkrekeningen.
II. VAN 1580 TOT 1797
Na het herstel van de godsdienstvrede bleef in de geplunderde kerk alles te repareren. De vroegst-bewaarde kerkrekening "beghinnende te Kersavonde 1580 inclus ende expirerende te kersavonde 1583" meldt dat er werd "betaèlt up den v novembre (1581) an Mr Jan van den Broucke over zeker reparatie bij hem ghedaen an den orghele..." Op 18 maart 1589 stonden de schepenen der stad de kerkmeesters van Sint-Maartens toe "eenen generaelen omrneganck te moghen doen tot reparatie van Ste-Martenskercke". Op 17 november 1590 kwam een orgelbouwer onderhandelen nopens een nieuw instrument. Uit de penningen van de geldinzameling werd "int Cappitle" het gelag betaald "vertheert metten orghelmaekere". Het gold hier Meester Chrispijn Carlier, die een vooraanstaande plaats wist te veroveren in de Nederlandse orgelbouw, en die in 1589 te Rijsel woonde. In 1600 gaat Chr. Carlier naar Rouaan en wordt er bevriend met Titelouze. Carlier wordt een der grote orgelmakers in het Frankrijk van die tijd, en bouwde instrumenten in verschillende belangrijke Franse steden. Het Carlier-orgel van Sint-Maarten, dat waarschijnlijk het VIERDE in de rij van de grote ORGELS van onze kerk werd, kreeg zijn plaats achteraan in de kerk, tegen de torenmuur, wat voor die tijd een eerder uitzonderlijke plaats was. Dit orgel bleek achteraf steeds een defectueus instrument te blijven. Een andere orgelbouwer in 1602 ter advies bijgeroepen, gaf als zijn mening te kennen "datter nimmer meer meester en zoude commen die dorghele zoude connen behoorlijk houden staende ter zelver plecke daer zy nu staet". De kerkmeesters van Sint-Maarten schonken uiteindelijk rond 1635 dit orgel milddadig aan de kerk der paters Rekoletten te Kortrijk. Intussen was het plan geopperd op een andere plaats in de kerk een nieuw orgel te bouwen. Doch vruchteloos werd gezocht naar "eene andere comodieuse plecke dwelck zy niet en hebben connen vinden". Een probleem dat in onze Sint-Maartenskerk drie eeuwen oud is, vermits dezelfde klacht uitgesproken wordt betreffende het huidige Schyven-Loncke orgel. Met een aantal jaren geduld komt het dan toch weer tot ernstige plannen voor een nieuw instrument. "Meester Gheraert Medaert, orghelmaeker tot rousselaere" -mag een ontwerp maken en op 8 januari 1628 wordt een definitief akkoord getekend. Het nieuwe orgel - het VIJFDE in Sint-Maartens - moet geplaatst worden op het koordoksaal. Het zal 30 registers tellen en 2600 pond parisis kosten. Het kwam klaar tegen Sint-Maartensdag 1628, wat voor die tijd een rekord mag heten. In de maand mei van het jaar 1650 vierde de Sint-Maartenskerk op luisterrijke wijze haar tiende eeuwfeest. Er werden niet alleen triomfbogen gebouwd en nieuwe klokken gegoten, maar Matheus van Reable, schrijnwerker, moest het orgelmeubel opknappen en aan het orgel zelf werkte een zekere Michiel van Sunninghen, welke laatste zeker geen orgelbouwer was. Maar de defecten aan het orgel lieten niet op zich wachten, wellicht omdat er door teveel ambachtslieden zonder voldoende vakkennis, om beurten aan gewerkt werd. In april 1663 werd een orgelmaker ontboden uit Rijsel "omme te syene oft hy denselven orghele soude vermaken ofte eenen nieuwen maken". Daar de rekeningen van 1665 tot en met 1671 niet meer voorhanden zijn, weten wij niet of een akkoord werd bereikt, noch wie precies die Rijselse orgelmaker was. Vanaf 1680 tot 1685 staan de"meesters Pieter Medaert ende Fredericq Cnobbele" in voor het repareren van het orgel. Spijtig maar dat de kerkrekeningen op het einde van de 17de eeuw zo schaars en onbepaald beginnen te worden in hun aantekeningen. Tussen 1688 en 1 700 kwam Pieter Middaert "diversche mael" het orgel "visiteeren ende repareeren". In 1694 ontving bij 55 ponden groten "over eenighe nieuwe wercken gemaect aenden orghel van voornoemde kercke... by twee distinctie accoorden". Het uitbetaalde bedrag, dat 790 ponden parisis bedroeg, bewijst ons dat Medaert het orgel grondig herstelde of uitbreidde. Vanaf het einde der 17de eeuw geraakte West-Vlaanderen onder de invloed van de Franse kultuur In 1703 zien wij "Sr Pieter Fremat orghelmaeker" het orgel herstellen en uitrusten met nieuwe blaasbalgen. Enkele jaren nadien levert Fremat een nieuw spel "genaemt La voix humaine". Dit solospel lag helemaal in de lijn van de muzikale strekkingen van die tijd. Naast de orgelist kwamen in onze kerken overal instrumenten voor, die speelden op contrabas, fagot, serpent en zo meer. In Sint-Maarten te Kortrijk werd "de musicque" hersteld op 17 juli 1703 :"Louis Lalouette ende syne twee sonen francis ende joannes spelende met de musicquale instrumenten". Op 27 april 1709 werd bij bevel van de burgemeester en schepenen 200 guldens uitbetaald aan Broeder Cornelis der minderbroeders-recollecten te Brussel om het orgel te herstellen. Ongeacht het feit dat deze werkzaamheden zes maanden in beslag namen, kunnen ze toch niet veel meer betekend hebben dan knoeiwerk, want reeds in 1710 moet Pieter Fremat uit Rijsel weer ontboden worden om het orgel te herstellen. Tot circa 1730 zullen wij deze laatste dan regelmatig aantreffen in Sint-Maartenskerk. Vanaf 1736 heeft de stad Kortrijk haar eigen orgelmaker: Petrus-Josepbus de Ryckere. In de rekeningen 1736-45 staat hij met vier quittancies vermeld voor onderhoudswerk aan het orgel in de Sint-Maartenskerk. Omstreeks het midden van de 18de eeuw werd onze kerk, zoals zoveel andere gebarokkizeerd. Koorafsluiting en gestoelte werden afgebroken. Er kan blijkbaar niet veel nieuws meer in Sint-Maartens gebeuren. Op 3 maart 1760 begon men met het wegbreken van het marmeren koordoksaal waarop het Medaert-orgel stond. Aan de Ryckere werd opdracht gegeven dit orgel weg te nemen. Intussen was men begonnen aan een nieuw "hoogzaal" achterin de kerk. Op Sint-Elooisdag 1765 heeft men "voor de eerste reise 't musik op den nieuwen hoogzaal gedaen" ; het nieuw orgel werd voor het eerst gebruikt op het feest van Sint-Martinus van het volgend jaar. Dit orgel was besteld bij de Ryckere en kostte 10.400 pond parisis (rek. 1768). Beeldhouwer Dupond ontving voor "de kasse van den orgel en van de blaesbalgen" 3248 pond parisis. Het orgel van de Ryckere telde 48 spelen, verdeeld over drie klavieren en een pedaal, alles samengebracht in één kast. Van dit orgel kennen wij ook nog de samenstelling. Dit was het ZESDE GROOT ORGEL in Sint-Maarten. De borstwering van het nieuw hoogzaal bestond uit smeedwerk, waarin te midden het stadswapen moest prijken. Omstreeks 1770 leverde beeldhouwer Lecreux uit Doornik, dezelfde van wie de twaalf apostelbeelden komen die nu nog aan de pilaren van onze kerk aangebracht zijn, "twee groepen kinderen (engelen) van weder zyden den balcon". In 1775 werden door Jacobus Casaer, meester schrijnwerker, houten kroonlijsten aangebracht "van zijden den hoogzael" die later "gernarbreert" werden, samen met heel het doksaal. De nieuwe "solder" steunde ten andere op de vier marmeren pilaren, afkomstig van het gesloopte koordoksaal. Hiermee komen we aan de donkere tijden van de Franse overheersing, en het blijft ons onbekend hoe het orgel van de Sint-Maartenskerk deze periode doorstaan heeft. Het kleine orgel van de kapel van het stedelijk Begijnhof, dat sedert de tijd van Napoleon tot op onze dagen in deerniswekkende toestand achtergebleven is, kan ons misschien een vermoeden bieden hoe het met kerkinstrumenten in die tijd gesteld was. Wij moeten wachten tot 14 april 1818 vooraleer wij opnieuw een vermelding vinden aangaande het herstellen van het orgel van Sint-Maarten.
III.VAN 1819 TOT 1862
Omstreeks het midden van de 19e eeuw was het De Ryckere-orgel van 1768, verknoeid door onverantwoorde herstellingen, zodanig vervallen, dat het niet meer kon beantwoorden aan zijn functie. ]n het voorjaar van 1850 begon de heer Goethals-Danneel, penningmeester van de kerkfabriek, onderhandelingen met verscheidene orgelrnakers. Op 20 juni kwam Joseph Merklin uit Brussel naar Kortrijk om het orgel te onderzoeken en een herstelplan op te maken. Acht dagen nadien reeds werden uit Brussel twee bestekken opgestuurd:. het ene van een orgel met 44 spelen, het andere van 38 spelen. In het begeleidend schrijven wordt twee jaar gevraagd voor het uitvoeren van het werk, en wordt bepaald dat de kosten moeten afbetaald naarmate de onderdelen klaarkomen. Het zou een nieuw instrument worden naar de geest van de tijd. Ook andere bedrijven werden aangesproken o.m. het bekende huis Van Peteghem uit Gent. Deze firma bezat ook een werkhuis te Rijsel. Vanuit deze filiaal kwam op 3 april 1850 een brief, vergezeld van twee herstelprojecten. Uit beide ontwerpen blijkt dat Van Peteghem reeds meeging in de richting van de romantische orgelbouw. Ook Hyppoliet Laret uit Brussel werd aangeschreven, en ook deze werkte een eigen plan uit ter herstelling van het De Ryckere-orgel. Hij wenst het eveneens met enkele spelen uit te breiden. Op de eerste zondag van juli 1850 zou de kerkraad bijeenkomen om een definitieve beslissing te nemen. Hierbij maakte Van Peteghem geen kans ; het zou gaan tussen Loret en Merklin. Hoe de besprekingen verlopen zijn weten wij niet, maar in december werd onderhandeld met een vierde orgelbouwer, P.A. Van Dinter uit Tienen, die tenslotte belast zal worden met de herstellingen. Er werd met de werken aangevangen einde augustus 1851, en alles kwam speelklaar einde 1853. Op 7 maart 1854 werd het orgel gekeurd door een jury. De orgelmaker had voor de gelegenheid heel wat orgelisten en muziekliefhebbers uitgenodigd. Het proces-verbaal van de keuring is vol lof over het werk van Van Dinter. Men drukt echter zijn spijt uit dat het instrument akoestisch slecht opgesteld staat onder het te lage torengewelf. De samenstelling van dit orgel is in de archiefstukken ook bewaard. Ook de pers was lovend over het vernieuwde orgel. Aan dit orgel was echter slechts een korte levensduur voorbehouden. Op 7 augustus 1862 sloeg de bliksem in op de toren van Sint-Maarten. De hele toren, op de zware stenen muren na, ging in de vlammen op. Bij de recente restauratiewerken van 1978-'81 hebben wij, na de verwijdering van het plakwerk aan de grote bundelpijlers van de toren, kunnen vaststellen hoe het enorme houtwerk van de toren, spits, klokkestoelen, zolderingen en balken, binnen de torenromp naar beneden gestort zijn en er als een reusachtig houtvuur zijn blijven branden. Deze instorting heeft uiteraard het volledige orgel meegesleurd en in de hitte verpulverd. Het "Journal de Gand" van 11 augustus 1862 noteert aangaande deze brand: "On y remarquait de magnifiques orgues qui ont coüté 30.000 fr. et qui sont tout à fait anéanties".
IV. VAN 1883 TOT 2002
Na de brand duurde het 20 jaar vooraleer er weer spraak was van een nieuw orgel.In 1883 werd onderhandeld met de firma Pierre Schyven en Cie uit Brussel, die het bedrijf Merklin & Schütze voortzette. Er moet een ogenblik zelfs sprake geweest zijn Aristide Cavaillé-Coll uit Parijs aan te spreken, maar de adviseur, pastoor Busschaert uit Vichte, een gedegen orgelkenner en een fijn musicus, kon de Deken van Sint-Maarten overtuigen van het grote prijsverschil tussen de twee firma's. Het derde ontwerp dat Schyven voorlegde werd na heel wat gedachtenwisseling tussen de orgelbouwer en adviseur Busschaert op 4 juli 1884 aanvaard. Hierbij dient aangemerkt dat Schyven, ondanks het verzet van Busschaert, toch de effectmiddelen Tremolo en Orage op het orgel geplaatst heeft. Het nieuw instrument dat 40.000 fr. kostte, werd op 9 maart 1887 goedgekeurd door een groep van vijf vooraanstaande orgelisten uit het land, waaronder Edgar Tinel, directeur van het Lemmensinstituut te Mechelen. Uit het proces-verbaal van deze keuring, dat getuigt van een grondige controle en van diepgaand onderzoek, lichten wij hier de laatste alinea . "Cet examen approfondi nous permet de déclarer que la maison Schyven en Cie a fourni à l'église St.-Martin à Courtrai un instrument de premier ordre et qui peut, sans exagération, passer pour un des specimens les plus réussis et les plus complets de la grande facture en Belgique". Dit zou dan sedert 1414 het ZEVENDE GROOT ORGEL zijn van de Sint-Maartenskerk in onze stad. Het is tot op heden nog in functie, en meteen het instrument dat reeds meer dan een eeuw lang zijn klankrijkdom doorheen de ruime beuken stuurt. De firma Schyven zal het orgel onderhouden hebben tot in 1905. Intussen had Octave De Vaere het ambt van orgelist opgenomen, en zou dit gedurende 50 jaar uitoefenen (1889-1939). In die tijd onderging het instrument een paar kleine wijzigingen: het positief werd in een zwelkast gestoken; de flute 4 en Violino 4, hiervan werden verlaagd tot 8-voet spelen. Het is niet bekend wie deze werken uitvoerde. Hoe degelijk een orgel ook gebouwd is, toch komt er onvermijdelijk sleet op. In 1954 verving Jozef Loncke, orgelbouwer te Esen, de mekanische traktuur van het orgel door een elektrische. Van de gelegenheid werd gebruik gemaakt om het klankbeeld van het instrument enigszins te wijzigen. Immers in de tijd toen het orgel gebouwd werd, gold als ideaal het syrnfonisch-orchestrale orgel. Sedertdien ontstond een herwaardering van de klassieke orgelmuziek en meteen van het polyfonische orgel. De huidige samenstelling ziet er als volgt uit - Hoofdwerk (56 noten) Positief(in zwelwerk) (56 noten)
1 Principaal 16 1 Gedekt 8
2 Gedekt 16 2 Gemshoorn 8
3 Prestant 8 3 Principaal 4
4 Gedekt (Holpijp) 8 4 Gedektfluit 4
5 Fluit 8 5 Oktaaf 2
6 Basviool 8 6 Terts 1 3/5
7 Oktaaf 4 7 Nazaardeke 1 113
8 Roerfluit 4 8 Cimbelstein 3 k.
9 KvAnt 2 213 9 Koptrornpet 8
10 Zwegel 2
11 Kornet 5 k. Reciet (in zwelwerk) (56 noten)
12 Vuiwerk 4 k. 1 Gedekt 16
13 Fagot 16 2 Fluit 8
14 Trompet 8 3 Wilgenpijp 8
15 Schalmel 4 4 Zweving 8
5 Fluit 4
Voetwerk (30 noten) 6 Nazaard 2 2/3
1 Openbas 16 7 Veldfluit 2
2 Gedektbas 16 8 Klein Vuiwerk 3 k.
3 Basfluit 8 9 Regaal8
4 Gedekt 8 1 0 Trompet 8
5 Fluit 4 1 1 Hobo 8 6 Ruispijp 4 k.
7 Bazuin 16 Speelhulpen
8 Trompet 8 Creseendopedaal

Sedert mei 1968 beschikt onze kerk ook weer over een tweede, kleiner orgel. Enkele jaren voordien had men. na afbraak van de neogotische koorafsluiting, aan het oostelijk uiteinde van het hoogkoor een nieuw en zeer hoog barok retabel geplaatst. Intussen had het conciliedocument van 1963 aangaande de liturgische vernieuwing, de positie van het altaar in onze kerken grondig gewijzigd. Zodoende kwam er voor het enorme barokke retabel nooit een altaar. Op de plaats voor het altaar kwam dan het koororgel. Het werd gebouwd door de firma Jos. Loncke uit Esen, en voltooid op 13 mei 1968 naar aanleiding van het jubileum van Deken Kan. Jozef Verheecke. Oorspronkelijk bezat het 4 registers op 1 manuaal en 2 andere op het tweede manuaal. Ter gelegenheid van de restauratiewerken werd vanaf 20 november 1978 rond het groot orgel een volledige bekisting aangebracht, om het instrument te beveiligen tegen stof en vuil. In die periode was alleen het klein koororgel in gebruik. In diezelfde periode werd het klein orgel door dezelfde firma J. Loncke uitgebreid met nog twee registers. De samenstelling van dit klein orgel ziet er nu als volgt uit: Vulwerk 3R Oktaafke 2 Oktaaf 4 - Prestant 8 Tertiaan 2R Oktaaf 2 Roerfluit 4 - Holpijp 8