KAREL DUPON
Een nicht van Karel Dupon bezorgde ons deze foto's van het ongeschilderde beeldhouwwerk:



Over Karel Dupon verscheen in 'De kroniek van Sint-Andries' een artikel, net zoals de retable duidelijk nog uit pre-conciliaire tijden
Ten Huize van BEELDHOUWER KAREL DUPON, Pastoriestraat alhier
Op onze gemeenteafdeling wonen er (zoals overal) enkele « rare vogels».
Een ervan is ongetwijfeld de beeldhouwer Karel DUPON uit de Pastoriestraat.
Ten behoeve van «De Kroniek» zijn wij deze leeuw in zijn hol gaan opzoeken omdat bij velen van onze lezers Karel DUPON minder gekend is, maar wij vonden het de moeite overwaard om deze rasechte kunstenaar even op de voorgrond te plaatsen.
Wij laten Karel zelf aan het woord.
« Ik vind “de Kroniek” van Sint-Andries” zeer interessant, sympatiek en echt
diep menselijk. Neem bv. eens het verhaal “ten huize van Louis Coppejans.”
Korte tijd voor zijn afsterven heeft hij het nog mogen meemaken zijn levensverhaal afgedrukt te zien, en in zekere zin opgenomen te zijn in zijn gemeente.
Ook de opkomst en de groei van de ruime familie Schoonbaert heeft me zeer bewogen.
Verder zou ik het ten zeerste aangewezen vinden om af en toe eens een van onze grote families nader in “De Kroniek" te belichten.
En ver hoeft men zeker niet te zoeken. Neem maar eens de Familie LAMBRECHTS hier uit de Pastoriestraat.
Vroeger was de straat van hen, je zag ze overal, in de winkel, op cafe met zoons en dochters, knechten en meiden, en hondjes die achterliepen. Ze knikten goeie dag alhier en aldaar. Het was leven en laten leven. Zulke machtige families trekken me aan.
Zulke families ontstaan een of twee generaties vroeger. Aan de basis, ergens in 1800, zit er een onafhankelijk ambachtsman. Zijn zoon breidt uit en maakt er een atelier van, de derde generatie maakt er een handel van en de vierde generatie gaat naar de universiteit.
Bij ons was dat ook zo begonnen.
Mijn overgrootvader was schavenmaker te Ichtegem. In de winter maakte hij schaven en in de zomer trek hij met zijn
hondekar naar Holland om ze daar te verkopen. Zijn zoon, dus mijn grootvader, werd beeldhouwer. Een pastoor had zijn talent ontdekt toen hij een kristusbeeldje sneed aan de kant van een gracht. Dat kon hij thuis niet doen,
want dat was zijn tijd verprutsen. Die pastoor is bij hem gaan aankloppen en hij heeft zijn invloed doen gelden. De
jonge Karel ('t was ook een. Karel) mocht naar de akademie te Roeselare,
waar hij zich vervolmaakte en er zelfs professor geworden is. De koperen plaat die op mijn vermolmde deur genageld is, is nog van mijn grootvader. Het schijnt dat mijn vader mij Karel geheten heeft opdat die koperen plaat nog zou kunnen
gebruikt worden.
In 1906 overleed mijn grootvader en liet zes kinderen achter. Mijn vader was toen elf jaar. Om de familie boven water te houden moest iedereen meehelpen beelden te moeleren en afgietsels te schilderen om dan te kunnen verkopen. De een na de andere trouwde uit en mijn vader bleef alleen met het gietersatelier.
In 1922 kocht hij het Genthof in de Genthofstraat in Brugge Daar ben ik geboren. Een huis met 120 deuren, alle plaatsen
nokvol plaasteren beelden. Beelden die ze nu de kerk uitsmijten en door antiquairs terug op de markt gebracht.
Ik had twee zusters en een broer. We
brachten onze jeugd door tussen de beelden, ons meest geliefde spel was daar verstoppertje spelen, de mogelijkheden waren onuitputtelijk. Natuurlijk ging ik ook naar de academie, dat was in die tijd van 6 tot 8 uur 's morgens en van 6 tot 8 uur 's avonds. We hebberi enorm veel prominenten
over de vloer zien komen, dekens, kanunniken, ja zelfs bisschoppen kwamen bij ons thuis dineren. Wijzelf noemden ons vader «Den Engelsen Ambassadeur», want de meeste zaken deed hij met Engeland. Als er ergens in Brugge
een Engelsman zich verveelde belandde hij onvermijdelijk bij Dupon. Voor mij lag een brede weg uitgestippeld, ik zou een soort superkoster worden, maar lag het nu aan mij of was
het mijn vader, we konden elkaar niet vinden. . Mijn vader was een «Public
relationrnan» en ik was een echte atelierrat. We bezaten totaal verschillende karakters waardoor soms botsingen niet te vermijden waren.
Als iedere belg werd ik ook opgeroepen onder de wapens. Mijn vader was blij: Karel moest naar den troep. De
laatste dag van mijn legerdienst leerde ik een Waals meisje kennen waarmee ik later dan ook getrouwd ben. Ik hoopte dat ze als vrouw de hoeken zou kunnen afronden tussen mijn vader en ik. Ook dit bleef uit. Het was onmogelijk, de spanningen stegen met de dag. En op zekere dag barstte de etterbuil, ik werd op straat gezet, zonder sociale wetten en zonder gouden handdruk zoals dat nu heet.
Ik ben gaan aankloppen bij Jan Nolf, een keramieker uit Brugge. Daar was ik als thuis, hij heeft me zijn atelier ter beschikking gesteld met uitrusting en grondstoffen zonder voorwaarden. Zo
ben ik van dag op dag keramieker geworden. We fabriceerden keramiek en
verkochten het onder de prijs aan de eerste de beste, het moest. Jan Nolf en ik zijn op die manier een soort vrije vennoten geworden. We gaven onze klienten door, onze modellen en onze kennis. Na twee jaar kon ik een eigen oventje kopen en werd ik onafhankelijk. Jan Nolf en ik werkten voort en bleven steeds goede vrienden.
Vijftien jaar nadat mijn vader me buiten zette
stierf hij. Al die tijd ben ik daar nooit over de vloer gekomen en heb ik hem zelfs niet een keer gezien. Ik ben
ook niet naar zijn begrafenis geweest, de spanningen van vroeger waren nooit bijgelegd. Het zijn harde dingen om te zeggen, maar ik ben nu eenmaal zoals ik ben en wij zijn ten slotte niet allemaal «modelmensen».
Na zijn dood ben ik naar het ouderlijk huis geweest, de burcht van mijn kinderjaren.
Het atelier was totaal verwoest, alles was weg en wat er nog stond was
vernield, hat was een ruine.
Ik stond daar, sprakeloos ontroerd voor die massa brokstukken, ik heb toen ook niet geweend, eigenlijk had ik het moeten doen, tranen met «tuten». Het zou gepasseerd zijn.
Maar zo gemakkelijk kom ik er niet van af. Heel mijn leven zal ik katten maken.
De kat die bij ieder beeldhouwersatelier hoort. De katten die ik kende als ik klein was. Het waren vrije wezens die in het Genthof tussen de beelden leefden.
Pek en Mol, ik ben geworden zoals U,
een vrije beeste. 'k Gelijk liever aan een
kat dan aan een superkoster. M'n vrouw en ik zijn gelukkig op onze manier.
M’n vrouw van Waalse afkomst is de dochter van een staalfabrikant, die zijn zaak heeft moeten stilleggen omdat hij weigerde voor de Duitsers te werken. Ze is 14 maal verhuisd en kent België als haar hof. Ze hecht zoals ik geen
enkel belang aan status.
We hebben twee verloren hondjes die
moeten werken voor de kost (in tegenstelling met de katten): ze hangen de ganse dag de clown uit. We hebben ook nog een jongetje aangenomen,
een kind dat niemand wilde. Na 5 jaar toewijding heeft zijn Franse familie het terug opgevorderd om het in een gesticht te steken. Treurig! Op dit moment, weet het nog niet dat zijn moeder sedert Pasen gestorven is. Hij mag het niet weten om «administratieve redenen". Hij is wees en hij weet het niet.
Als de staat zich met iets bemoeit, dan is het soms toch wel te veel!
Vroeger ging ik veel wandelen en lopen in Tillegem bos, samen met mijn twee clowns van hondjes. Het mag niet
meer! Verboden: honden aan de leiband. Dan ben ik naar het Beisbroek gaan wandelen, daar waren ze bezig pinnekesdraad te spannen.
De boswachter was heel vriendelijk en liet ons daar maar crossen. Tot op zekere dag dat ze de brave man in een politieplunje staken. Gedaan met de leute. Nu loop ik langs de Oostendse vaart. Liever de stank er bij, maar vrij.
Beste lezers, om allerlei redenen wordt onze vrijheid alle dagen een stukje ingekort. Begrijp je nu waarom ik katten maak?
Een kat laat zich niet bevelen, een kat is vrij, maar hij betaalt het dikwijls met zijn leven. Verleden maand zijn drie van mijn katten niet meer thuisgekomen.
................................................................
Tot zover Karel DUPON.
Alhoewel deze van natuur uit gezegende kunstenaar her en der nogal krasse en ongesnoekte uitlatingen gebruikt, hebben wij gemeend er nochtans niet met de censuurschaar te moeten in knippen.
Wij nemen Karel DUPON zoals hij is omdat wij vastgesteld hebben dat onder de ruwe schors een gouden hart klopt. Misschien zullen de lezers van «De Kroniek" hetzelfde doen.
Jaak SCHOONBAERT