Op 28 november 2004 kregen we een nieuw podium en altaar. Pr.Mark Delrue schreef daarrond volgende tekst:
"L'architecture est un melange de nostalgie et d'anticipaton extrême. »
Jean Baudrillard.

Pleidooi voor een nieuwe liturgische ruimte.
Met de wijziging van de celebratierichting na het tweede Vaticaans Concilie was een van de bedoelingen een te sterke ruimtelijke scheiding tussen priester en gelovigen op te heffen en ondermeer af te stappen van een soort toneelopstelling: het altaarkoor is de bühne, het kerkschip is de passieve toeschouwersruimte.
In werkelijkheid hebben heel wat herschikkingen toen b.v. grote podia met voltapijt,het theater- effect versterkt. In plaats van het gewenste 'met elkander' vieren, ontstond vaak een nog sterkere frontaalsituatie.
Sinds enkele jaren wordt met een nieuw ruimteconcept geëxperimenteerd met goed resultaat: een liturgieplek naar een ellipsmodel, met in het ene brandpunt de tafel van het woord, in het andere de tafeI van de maaltijd. (Geen cirkel, want een cirkel kent maar één brandpunt.) Deze ellipsvorm wordt in het nieuwe concept zinvol onderstreept doorde belichting die ook een ellipsvorm tekent. De gelovigen verzamelen zich rond beide brandpunten in één gemeenschap.



Theologisch -liturgisch - artistieke achtergrond.
Liturgie is communicatie tussen God en mens enerzijds en van mens tot mens anderzijds.Deze dubbele beweging is de kern van de liturgie. Dit heilig gebeuren is het voornaamste kunstwerk van de liturgie. We moeten de liturgie zelf als een totaal dynamisch kunstwerk zien. Binnen deze dynamiek krijgt alles tekenwaarde: handelingen worden gebaren, gaan wordt schrijden, woorden worden lied, kleding gewaden. Ook de liturgische ruimte zelf wordt aan dagelijkse bezigheden als praten, eten , slapen onttrokken tenzij de kerk haar taak vervult van asielverlening. Als redelijke mens voel je spontaan: in een kerk gedraag je je anders, loop en kleed je je anders zonder daarom tegendraads of onnatuurlijk te doen. De liturgie kan niet zonder het levendige beeld van mens en naar Godsbeeld gemaakt. Liturgie kan wel zonder beelden. De liturgie kan niet zonder goede taal, zang, muziek, beweging van mensen.

Een hedendaags kunstenaar aan het werk in een oud kerkgebouw.


Ambo en altaar zijn het ontwerp van de hedendaagse Duitse kunstenaar: W.Gies. Genoegen nemen met het oude Neogotisch kerkmeubilair wekt de indruk dat kerken relieken zijn van het verleden. Of dat gelovigen in het culturele verleden moeten vluchten om liturgie te vieren. Als de blijde boodschap verkondigd wordt als belangrijk voor hier en nu, moet dat ook aan de kunstexpressie in de kerk te zien zijn. Het gaat hier niet om actuele kunst tegen oude kunst uit te spelen. Integendeel. Oud en nieuw kunnen elkaar valoriseren in een sterkere eenheid. Zij hebben samen een kracht die groter is dan de optelsom van beide afzonderlijk. Het lijkt dan alsof oud en nieuw een pact gesloten hebben zonder hun authenticiteit te verliezen. Er vloeit uurstof van het ene naar het andere. AIleen kostbaarheden uit het verleden bewaren volstaat niet. Hedendaagse design een plaats geven in het oude kerkgebouw actualiseert de geloofsbeleving en houdt het geloof levendig in het heden. Waarom kan artistieke creatie op vandaag oak geen uitdrukking zijn van Gods heerlijkheid, van dankzegging voor het bestaan en van verlossing?
Voor de kunstenaar iets op papier zette heeft hij uren lang de ruimte in stilte tot zich laten spreken. Zonder enig commentaar of bedenking. Hij heeft nochtans onmiddellijk aangevoeld dat de as West naar Oost (portaal naar hoofdkoor) een weg is die uitnodigt van donker naar licht in het hoofdkoor.(Zo is het ook in Vezelay.) Jammer dat de opgang van donker naar licht brutaal verminkt wordt door het alles opvullende relabel in het hoofdkoor. Dit retabel sluit elk morgenlicht buiten. De koorruimte zou terug moeten ervaren worden als een bevrijdende belevenis zeals het oorspronkelijk als bouwidee bedoeld was. Pas dan zou het licht weer kunnen binnen vallen van de ochtend tot de avond in de zin van 'lux continua.' Deze ingreep was niet mogelijk.
Toch heeft hij met zijn ontwerp een moderne interpretatie gegeven aan de sacrale ruimte zonder de historische architectuur te wijzigen. De dwarsbeuk verdeelt de hoofdbeuk en het hoofdkoor in het midden van hun lengte. Het idee van centralisatie is reeds in het gebouw aanwezig. Er is zelfs een interessant spanningsveld tussen lengte en centralisatie-idee. W. Gies heeft dit goed opgemerkt en benut. Hier wordt het idee van 'circumstantes' ten volle mogelijk op een historische sacrale plaats. Het altaarpodium in de 'viering' wordt tegelijk het optisch en geometrisch centrum.
Bij de materiaalkeuze argumenteert hij als volgt: 'De kerkvloer is door zijn ornamentele en grote betegeling krachtig en heftig. Daarom stel ik voor, het altaar, de ambo en de altaaromgeving in gelijke steen (Belgisch graniet) te vervaardigen. De Be1gische blauwsteen is immers een vertrouwd bouwmateriaal in de kerkarchitectuur van de Leiestreek. Die steen is al eeuwen lang aanwezig in de pilaren van deze kerk.

De ambo.
Het ernstig nemen van het woord van God in de viering van de sacramenten betekent logischerwijze ook aandacht voor de ambo. De ambo moet zo geplaatst zijn dat de lector door de gelovigen goed gezien en gehoord kan worden. Vanuit de ambo worden de lezingen voorgedragen. Eveneens worden de homilie en de voorbeden daar gehouden. Minder past het dat de commentator, de voorzanger of de koorleider van de ambo gebruik maken. Het woord ambo is afgeleid van het Griekse werkwoord 'Anabanein', dit betekent bestijgen. Met ambo wordt een plaats bedoeld die wat verheven is. 'Hoger' heeft hier niet enkel een materiële, maar ook en vooral een spirituele betekenis. Natuurlijk moeten ambo's niet zo hoog zijn als in een ver verleden. Er bestaan vandaag immers uitstekende sonorisatie- technieken. Toch moet bij het kiezen van de meest geschikte plaats en bij het ontwerpen van een ambo, het idee van verhevenheid bewaard blijven. Naast zichtbaarheid en hoorbaarheid is hier ook de symboliek belangrijk. Wie het woord Gods voorleest, gaat wa hoger staan om zichtbaar te maken dat het niet zijn/haar woorden zijn, maar het gesproken woord van God. Samen met de ontwerpers werd besproken hoe deze gedachte best gestalte kan krijgen - sober en krachtig - in eigentijdse vorm. Vier blokken Belgisch graniet symboliseren de vier evangelisten.
De ambo heeft ook betekenis buiten de liturgie. Voor de passanten die de kerk bezoeken is de ambo een monument. Een monument is een zichtbaar teken. Het herinnert aan iets (gebeurtenis)of aan iemand. Een ambo is het zichtbare teken van de memoria van Jezus' wonderdaden, opgetekend door de vier evange1isten.
Een monument geeft ook een teken. Het bevat een soort vermaning (moneo), een uitnodiging. Het stuurt een boodschap uit om de herinnering levendig te houden. Een ambo spoort de Christenen aan om Gods heilsdaden in eigen hart te verinnerlijken en om zich te engageren in het spoor van Jezus Christus. In dialoog met de ontwerpers hebben we die tekenfunctie onderstreept: zichtbare plaats van memoria. In deze betekenis is de ambo een monument. Dit monument van de memoria vereist dan ook een minimum van visuele stabiliteit
Materiaalbeschrijving.
Ambo: trapsgewijs vervaardigde sculptuur in 4 verschillende lagen (interpretatie voor de 4 Evangelisten). Belgisch graniet met diamant gezaagd.


Het altaar.
In de loop der tijden ontstaan twee altaarconcepties die complementair zijn. Maar doorheen de
geschiedenis komen beide visies vaak in strijd met elkaar, ze volgen elkaar wisselend op: de tafel, maaltijdgedachte en de offersteen.
De christenen hergebruiken een woord dat bestond maar niet in de religie gangbaar was. In de Romeinse godencultus sprak men van 'ara' ,dat wil zeggen:hoog. AIle theofanieën gebeuren in de hoogte. In het klassieke latijn betekent 'altum' de hoge zee: hoe hoger het water,hoe dieper de zee. ' Altus' betekent tegelijkertijd wat verheven is, wat diepzinnig is. Die dubbelheid is belangrijk voor de wijze waarop wij vandaag een altaar opvatten. Op paradoxale wijze hoeft het altaar niet hoog te staan met vele trappen opwaarts zoals de Ziggurats in Babylonië. Het begrip 'altus' vraagt om een speciale interpretatie. Een altaar moet diepgang symboliseren. Het komt er op aan voor de offer- en maaltijdgedachte vormen te creëren die concentratie naar de diepte vertolken, de intimiteit van het mysterie oproepen. De hoge zee heeft iets uiterst mysterieus.
'Altus' is ook een verleden deelwoord van het werkwoord 'alere' .Dit betekent voeden.' Altus' is iemand die gevoed werd. Hier vinden we de gedachte van voedsel dat doet groeien. De christelijke gemeenschap groeit, wordt sterker door het voedsel van de Eucharistie. De soberheid van een goed ontworpen hedendaags altaar (niet te verwarren met poverheid) is, net als poëzie, een overwinning op overdaad, op kwantiteit, op pronkerigheid. Zo wordt het altaar een zichtbare vorm van 'verdichting' ,die, net als een goed gedicht, ons doet verkeren op de grens van het onuitsprekelijke. Het maakt de leegte rondom zich zinvol. Het altaar is het liturgisch meubel van diepte en inwendige kracht die uitnodigt tot deelname convivialiteit. Een nieuw altaar is geslaagd wanneer het mensen samenbrengt als vierende gemeenschap, de architectonische ruimte doet zingen en aIle liturgische elementen eromheen valoriseert. Het altaar is een focuspunt in de architectuur op het snijpunt van verticale en horizontale.
Bij Eucharistie kan je spreken van een driedimensionale tijdsbeleving: een herdenking (verleden), een gebeuren hier en nu (heden), een aankondiging (toekomst)'... tot wederkomt’. Dit betekent dat een altaar niet alleen naar Jezus’ dood en verrijzenis verwijst, het is tevens symbool van Christus'aanwezigheid onder ons vandaag en teken van verwachting. Bij elk altaarontwerp heb je met een paradox te maken: terzelfdertijd brandpunt van aanwezigheid en afwezigheid. Dit was een belangrijke gespreksmaterie in dialoog met de kunstenaar. Het blijft sowieso een moeilijke taak tegelijk de hemel op aarde en de aarde in de hemel op te roepen.

Materiaalbeschrijving.
Altaar: sculptuur (interpretatievorm van tafel en offersteen) uit één blok vervaardigd. Belgisch graniet, aan alle zijden met diamant gezaagd, tafelblad fijn geslepen.

Altaarpodium: Belgisch graniet, blauw, geslepen.
De afmetingen werden bepaald volgens de vieringoppervlakte. de altaarruimte is volledig vrij en paalt niet aan een van de vieringzuilen. Ze heeft 2 treden en is 36 cm hoog.



Het neogotische hoofdkoor?
Het spreekt voor zich dat het neogotische koor, wil het architectonisch niet afsterven, om een inventieve invulling vraagt De unieke sacramentstoren blijft wonderwel functioneren binnen het nieuwe concept. De afstand met het altaar is ideaal voor het houden van processie om bijvoorbeeld de geconsacreerde hosties op te bergen. De sacramentstoren is een plaats waar een kleine aanbiddingsruimte kan voorzien worden.
Ik betreur evenwel dat een verkleinen (minutieus bestudeerd naar harmonieuze proportie) van het neobarok retabel niet door de commissie van monumenten van Brugge werd aanvaard. Het herstellen van de lichtrijkdom via de neogotische vensters, helemaal vooraan, zou het neogotische gebouw in zijn oorspronkelijke luister hebben hersteld. Het zou tevens een meerwaarde geschonken hebben aan het prachtige neogotische koor, zowel architectonisch als spiritueel.
De heilige eerbied voor elke oude steen of meubel, de te ver doorgedreven restauratietendens verbergt een nieuw soort conservatisme, zeker als het gaat om vals antiek-aandoende neovormen uit een heel recent verleden. Bij de evidente plicht om de christelijke cultuur en haar monumentenerfgoed met schroom te bewaren, moet men ook uit de geschiedenis lessen leren voor actuele liturgie. Ingrijpende aanpassingen van het kerkgebouw zijn vaak gebeurd bij vemieuwde geloofs- en liturgieopvattingen. De geschiedenis leert ons dat geen enkele kerk, ook niet de geklasseerde, iets absoluut of onaantastbaar heeft. Elk ruimteconcept is tijdbepaald. Natuurlijk moeten waardevolle dingen uit het verleden bewaard blijven, maar even belangrijk is de aanspraak van het leven nu. Een kerkarchitectuur die enkel van her verleden spreekt is een getuigenis van levenszwakheid. Er zijn grenzen aan de restauratie­mentaliteit. Anders zetten wij het leven buiten spel.
Monumentenzorg laat vandaag te weinig toe wat in het verleden een evidentie was: afbreken en opbouwen vanuit het leven. Denk maar aan de barok-aanpassing van de gotische kerken. Elke tijd heeft zijn kerkgebouw zo opgevat en innerlijk geschikt zoals de liturgie het toen vereiste. Maar dit veronderstelt dat wij vanuit de kerk verantwoord denken en voorstellen doen met kennis van zaken.

Als een rots in de branding
Het nieuwe altaar en de ambo staan als een rots in de branding midden in de kerkruimte. Twee signalen op de grenslijn van het gotische schip en het neogotische hoofdkoor.Twee verbindingstekens tussen hoog-en laagbouw. Hoe weinig effect het geheel ook biedt, het ontwerp ontvouwt de kwaliteit van de kunst. De ontwerpen van W. Gies celebreren stille
verinnerlijking en tijd voor aanschouwing en ontmoeting.
Dit nieuwe centrum werd opgevat vanuit een tweevoudig criterium:


De liturgie.
Deze wordt gevierd midden de mensen, trouw aan her conciliewoord: 'volk van God.'
Christus is immers viervoudig aanwezig in her vieren van de liturgie: in de persoon van de bedienaar, heel bijzonder in de Eucharistische gedaanten. Hij is aanwezig in zijn woord. Hij is ook aanwezig wanneer de kerk bidt en zingt. Hij zelf heeft beloofd: "waar er twee of drie verenigd zijn in mijn Naam, daar ben Ik in hun midden' .(Mt.18,20)
De architectonische harmonie.
Alle verhoudingen van breedte, hoogte, lengte werden heel nauwkeurig bestudeerd om de mensen te helpen het ruimtegevoel te beleven van dit mooie kerkgebouw. W. Gies schiep een bijzonder ensemble dat een nieuwe sfeer en een hedendaags cachet geeft aan de totale ruimte. Het altaar is onverplaatsbaar. Het staat in het midden van het gebouw. Het verwekt een spanningsveld tussen de lengte- en de breedteas van de kerk. Het functioneert als focuspunt, zowel in architectonische als in spirituele betekenis.
De ambo bezit een visuele stabiliteit, d.w.z. de ambo is psychologisch onverplaatsbaar, maar wanneer het moet kan die met mankracht worden weggenomen, bijvoorbeeld bij musicale evenementen. Deze nieuwe inrichting kan je een ontmoeting noemen tussen religie en kunst.
Altaar en ambo hebben een glasheldere structuur die aan eenvoud en kracht nauwelijks te overtreffen is. Deze stenen blokken hebben een sterke uitstraling. Toch is hun compositie heel verfijnd.De berekening van vorm, hoogte en breedte was een puristische arbeid. Overvloedige dingen werden weggelaten.'Less is more.' Maar er ontstaat een spel van onderlinge krachtverhoudingen tussen altaar, ambo en verlichting, die in hun samen staan tot volle ontluiking komen. Gies brengt een ruimtelijk verhaal die onze innerlijke wereld aan het werk zet. De kunstenaar heeft het geheel afgestemd op de subtiele lichtinval in de kerk, in een ruimte die verstilt van sacrale rust. De blauwgrijze tonen van het Belgisch graniet en de kleur van het podium vormen een optische eenheid. Spiritualiteit laat zich hier vinden via het geloof en de kunst in het transparante van de ruimte.

Is dat wel nodig
Mag een parochiegemeenschap die op de eerste plaats oog moet hebben voor de financieel zwaksten onder haar leden nog geld besteden aan christelijke kunst? Het evangelie zelf helpt ons een antwoord te vinden. Om haar kwistig gebaar met een kostbaar parfum ontvangt een zondige vrouw de belofte van vreugde. Judas' kritiek tegen deze verspilling is de aanval regen overtollige zaken als kunstwerken, orgels, enzovoort. Hiermee zou brood aan de armen onthouden worden. "Maria nu nam een pond nar­dusbalsem, echte en heel kostbare, zalfde daarmee Jezus' voeten, en droogde ze met haar haren af Het huis hing vol balsemgeur. Daarop zei Judas Iskariot, een van zijn leerlingen, dezelfde die Hem zou overleveren: "Waarom is die balsem niet voor driehonderd denaries verkocht, en het geld aan de armen gegeven?" Hij zei dat niet omdat hij bezorgd was voor de armen, maar om­dat hij een dief was, en uit de beurs die hij bewaarde wegnam wat erin kwam. Jezus zei echter: "Laat haar begaan. Zij heeft dit gebruik onder­houden vooruitlopend op de dag van mijn begrafenis. Want de armen houdt gij altijd bij U, Mij echter niet altijd" (Joh 12, 3-8).
De ervaring leert dat parochies die oog hebben voor schoonheid in kerk en liturgie tevens zorg dragen voor de armen in de samenleving. De kwets­bare plek in dit probleem is of er nog dingen zijn in het leven waarvoor her primaat van het economische niet geldt. De echte vraag is of er nog za­ken zijn waarop te allen tijde zal worden 'verloren' of waarvan de 'winst' onzichtbaar blijft, omdat wij hier aan een andere dimensie van her bestaan raken. Moeten wij op her kerkgebouw en zijn liturgie gaan beknibbelen wat wij in de particuliere sector 'nodig' menen te hebben om als mens be­hoorlijk te kunnen leven? Veeleer moeten wij ons erover verbazen dat er zoveel schaamte is over het royale gebaar van het overbodige, want juist die kwistigheid brengt ons bij de kern van de humaniteit (Delrue 1993, 89). In deze westerse wereld hebben het symbool en de gratuïteit veel aan waarde ingeboet. Wij moeten beseffen waarmee we bezig zijn als we de gratuïteit, de vrijwilligheid ondermijnen door de al te gemakkelijke over­weging "het brengt niets op". De kerk moet voor alles draagster blijven van armoede, niet de functionele maar de evangelische armoede. Het zou jammer zijn indien een te formalistische opvatting van armoede, wars van alle zin voor gratuîteit, de kerk zou binnensluipen. De vraag of het wel 'no­dig' is, is een doodarme vraag. Het aanvoelen van de 'nood' aan het 'over­bodige' is veel rijker aan menselijkheid. Het moet bij ons het besef leven­dig houden dat het echte leven zich niet mag klemrijden in een totale functionalisering. Wie dat aanvaardt, begrijpt ook dat er een wezenlijk ver­schil bestaat tussen het vermeende leegstaan van de ruimte van een kerk­gebouw en zijn vormgeving van de stilte. Zo streefden velen onmiddellijk na Vaticanum II naar een uiterste versobering in de cultus. Hiermee ge­raakten we verzeild in het ander extreem van wat vroeger triomfalisme heette. Het is een leegte waarin het mysterie alleen met begrippen van bruikbaarheid wordt afgetast, kortom de tirannie van het functionalisme. Wanneer onze geloofscultus verschraalt tot louter woord, verdwijnt de mystieke sfeer en zullen velen blijven terugverlangen naar kathedralen, abdijen en vroegere vormen van liturgic waarin die wijdingsvolle sfeer geboden werd. Deze nostalgie valt te verklaren uit het feit dat iets echt menselijks verloren ging.

Pr.Mark Delrue, september 2004